“Niet weer die bal verliezen!” “Let nou eens op!” “Hoe vaak hebben we dit al geoefend?” Herkenbaar? Als coach zie je vaak direct wat beter moet. Logisch, want je wilt dat je sporters leren en presteren. Toch schuilt er een risico in voortdurend corrigeren: je team kan namelijk steeds meer gericht raken op wat er misgaat, in plaats van op wat het wél moet doen. Je aandacht is niet alleen een reactie op gedrag, maar je helpt er ook mee bepalen waar je sporters hun aandacht op richten.
Stel: een korfballer mist twee kansen achter elkaar. Als je vooral benadrukt dat de volgende bal er écht in moet, kan de druk toenemen. De speler is vervolgens waarschijnlijk meer bezig met het 'niet missen' dan met goed afronden.
Probeer daarom de aandacht te verleggen van wat je níét wilt, naar het gedrag dat juist helpt.
Je laat daarmee niet de lat zakken, maar maakt duidelijker waar een sporter zijn aandacht wél op kan richten.
1. Vang het goede op tijd.
Wacht niet tot een actie perfect is. Benoem ook gedrag dat bijdraagt aan het proces: goed positie kiezen, blijven communiceren na een fout of een teamgenoot helpen na balverlies.
2. Geef één duidelijke opdracht.
Een sporter kan tijdens een wedstrijd niet tien aanwijzingen tegelijk verwerken. Kies het belangrijkste aandachtspunt en formuleer het concreet. Wat moet de sporter dóén?
3. Kijk eens naar je eigen commentaar.
Tel tijdens een training eens hoeveel opmerkingen je maakt over wat fout gaat en hoeveel over gewenst gedrag. Het gaat niet om een perfecte verhouding, maar om bewustwording: krijgt je team voldoende informatie over wat het kan herhalen?
Kies tijdens je volgende training één speler of één teamonderdeel. Probeer niet alleen fouten te corrigeren, maar benoem bewust het gedrag dat je vaker wilt zien.
Vraag na afloop: “Welk gedrag hielp ons vandaag vooruit?”
Zo leren sporters niet alleen wat beter moet, maar herkennen ze ook wat werkt.
Een coach hoeft niet overal méér aandacht aan te geven. Soms zit de winst juist in bewuster kiezen waar die aandacht naartoe gaat.