In een prestatiegerichte sportomgeving draait het om beter worden, winnen en leveren. Begrijpelijk, maar juist daar is het mentale aspect vaak het minst bespreekbaar. Veel coaches denken (of voelen): "Als ik hier ruimte voor maak, gaat de scherpte eraf."
De praktijk laat echter juist het tegenovergestelde zien; sporters presteren beter wanneer mentale thema’s genormaliseerd worden in plaats van geproblematiseerd.
De sleutel? Koppel het mentale direct aan prestatie.
Een coach vraagt: “Hoe voel je je mentaal?”
De sporter hoort: gaat het wel goed met je? en klapt dicht.
De coach vraagt: “Wat had vandaag het meeste invloed op je focus tijdens de oefening?”
De sporter blijft in de prestatiemodus, maar leert wél reflecteren op zijn mentale staat.
1: Gebruik prestatietaal. Praat over focus, keuzes, herstel, druk en energie, maar juist niet over “problemen” of “zwaktes”.
2: Maak mentale check-ins kort en structureel. Eén vraag aan het begin of einde van de training is genoeg. Het gaat niet om lange gesprekken, maar om herhaling en veiligheid.
3: Geef zelf het voorbeeld. Een simpele zin als: “Ik merkte dat ik vandaag wat te snel wilde ingrijpen” laat zien dat reflectie onderdeel is van presteren, niet het tegenovergestelde.
In een sterke prestatiecultuur hoort mentale aandacht niet aan de rand, maar in het hart van het proces. Niet om het zachter te maken, maar om het scherper te maken.
Sporters die leren benoemen wat hen beïnvloedt, staan namelijk sterker, trainen met meer vertrouwen en houden het plezier in sport langer vast.