Zin en onzin van supplementen in de sport

Zoals bekend steek ik mijn enthousiasme voor astaxanthine, de sterke antioxidant uit het water, niet onder stoelen of banken. Maar ik zal nooit beweren dat het een ‘wondermiddel’ is. Wondermiddelen bestaan immers niet. Het is goed met beide benen op de grond te blijven, hoe aanlokkelijk sommige verkoopslogans ook klinken en hoe indrukwekkend sommige onderzoeksresultaten ook zijn. Er bestaan eenvoudigweg geen voedingssupplementen die voor iedereen fantastisch werken.

Dat heeft allereerst te maken met de ‘biochemische individualiteit’. Geen mens is hetzelfde. We zitten allemaal nét iets anders in elkaar, waardoor we ook allemaal nét iets anders kunnen reageren op voedingsstoffen. Stel dat een onderzoek aantoont dat 75% van de mensen baat heeft bij een bepaald voedingssupplement, dan heeft nog altijd een kwart van de mensen er weinig tot niets aan. Waarmee ik maar wil zeggen: voedingssupplementen bewijzen zich pas in de dagelijkse praktijk. Je zult het uiteindelijk zelf uit moeten proberen. En om het nog ingewikkelder te maken: daarbij spelen ook de ‘voedingstoestand’ en de dosis een belangrijke rol.

Om met de voedingstoestand te beginnen: naarmate iemand een groter tekort heeft van een bepaalde voedingsstof, valt meer te verwachten van suppletie. Wie bijvoorbeeld al een hoge vitamine D-waarde heeft in het bloed kan extra vitamine D gaan slikken, maar veel effect zal dit dan niet sorteren. Bij een groot lichamelijk tekort van een bepaalde voedingsstof zal een te laag gedoseerd voedingssupplement evenmin brengen wat men ervan verwacht. Een ‘stootkuur’ ligt dan meer voor de hand. In de literatuur zijn beschrijvingen te vinden van wat bijvoorbeeld een megadosis vitamine C kan bewerkstelligen. Door buitenstaanders wordt dan al gauw gesproken van ‘een wonderbaarlijk herstel’, maar ook dit is overdreven. De wetten der chemie geven immers aan dat vitamine C in sommige situaties levensreddend kan zijn, iets wat chemicus en tweevoudig Nobelprijswinnaar dr. Linus Pauling ruim veertig jaar geleden al wist.

Als voedingssupplementen geen ‘wonderen’ kunnen verrichten, wat is dan wel een reëel verwachtingspatroon? Interessant is de visie van sportfysiotherapeut Jurgen Roordink, voormalig begeleider van de tennissers van het Davis Cup Team. “Ook Sjeng Schalken, Martin Verkerk en Raemon Sluiter hebben de top bereikt met hard trainen en die bruine boterham”, aldus Roordink. “Dat bepaalt 95% van het resultaat. Maar ik ben vooral in de laatste vijf procent geïnteresseerd.” Voeding en suppletie verbeteren niet direct de prestaties, maar bevorderen volgens Roordink vooral het herstel. “Herstel is een belangrijke voorwaarde om goed te kunnen blijven presteren. Krijgt een speler aan het eind van een wedstrijd wél of geen kramp? Dat soort dingen kunnen de doorslag geven. Terwijl kramp een probleem is dat je kunt voorkomen, bijvoorbeeld met extra magnesium.”

Hier wil ik zelf nog aan toevoegen dat voedingssupplementen blessures kunnen helpen voorkomen. Naarmate het lichaam biochemisch beter in elkaar steekt, is de kans op blessures kleiner. Kijk eens naar wat dit betekent voor een sporter! Niet alleen is een blessure een fysieke belasting, maar ook een mentale stressor. En bovendien een onwelkome onderbreking van het trainingsprogramma.

Bron: Dr. Gert Schuitemaker van het Ortho Institute

In
Vond je het interessant? Tweet dit artikel of laat een bericht achter
Geef je reactie

Je emailadres. Velden met een * zijn verplicht

NLcoach CONGRESSEN

  • okt
    25
    Congres Kennis in Beweging (i.s.m. KVLO en Fontys Hogeschool)
  • nov
    2
    Trainercongres Wielrennen
  • nov
    9
    Congres i.s.m. Topsport Limburg in Sittard
alle congressen