Wat kun je leren?
Sporters maken, vaak onbewust, gebruik van mentale voorstellingen. Ter concentratie en voorbereiding. Of ter perfectionering van een beweging. Denk aan een hordeloper die zich voorstelt hoe hij of zij de horden zal nemen. Het verbeteren van een beweging door het zich herhaald voorstellen van die beweging – zonder die daadwerkelijk uit te voeren – wordt mental practice of mentale oefening genoemd.
Er zijn talloze onderzoeken gedaan naar de effecten van mentaal trainen. Veel van deze onderzoeken zijn geanalyseerd door de Amerikaanse wetenschappers Feltz en Landers (1983) en Driskell e.a. (1994). In de meeste gevallen verbetert de bewegingsuitvoering van proefpersonen wanneer ze zich de beweging herhaaldelijk zo levendig mogelijk voorstellen. Zonder de beweging uit te voeren kan er klaarblijkelijk geleerd worden. Het daadwerkelijk oefenen van een beweging heeft nog wel altijd de grootste leereffecten. Bovendien worden er duidelijker effecten gevonden voor taken met een cognitieve component – waarbij een bepaalde volgorde kritisch is, zoals bij turnen of schoonspringen – dan voor puur motorische taken (gewichtheffen, sprinten).
Gronings onderzoek
Hoewel heel veel onderzoeken het effect van mentaal oefenen aantonen, bestaat er geen duidelijkheid over het tot stand komen van dit effect. Bij het Instituut voor Bewegingswetenschappen in Groningen is een reeks onderzoeken uitgevoerd met als doel meer inzicht te krijgen in het achterliggende werkingsmechanisme van mentaal oefenen.
In een van de eerste studies werd geprobeerd de vraag te beantwoorden of via mentaal oefenen een totaal nieuwe beweging kan worden geleerd of dat mentaal oefenen alleen kan leiden tot het verbeteren van een al bekende beweging. Daarbij is gekozen voor een simpele discrete beweging, namelijk het naar buiten bewegen van de grote teen, zonder daarbij de andere tenen of de voet mee te bewegen (zie ook Mulder en Hulstijn, 1985a en 1985b). De teen staat hierbij model voor een beweging die door veel mensen niet bewust kan worden uitgevoerd, terwijl de fysiologische mogelijkheid hiervoor wel bestaat via activering van de m. abductor hallucis.
Perifeer of centraal
Een interessante bijkomende vraag is of men tijdens mentaal oefenen gebruikmaakt van sensorische informatie, afkomstig van de spiergroep waaraan men denkt, of dat er sprake is van een centraal mechanisme dat zich in de hersenen afspeelt. Twee belangrijke theorieën vormden het uitgangspunt van onze studie. Volgens de psycho-neuromusculaire theorie creëert mentale oefening aanvoerende input naar de hersenen door de spieren minimaal te activeren. Er is tijdens mentaal oefenen dus sprake van feedback van de spieren naar de hersenen. In een aantal studies werd inderdaad een verhoofde elektromyografische (EMG) activiteit gevonden tijdens mentaal oefenen (Bakker e.a., 1996; Jowdy en Harris, 1990; Jacobson, 1932; Wehner e.a., 1984). In andere studies is geen verhoging van de spieractiviteit aangetoond. De alternatieve theorie – de centrale representatietheorie – claimt dat tijdens het mentaal oefenen van een beweging een in de hersenen (centraal) opgeslagen representatie van die beweging wordt geactiveerd. Beeldvormende technieken, zoals functional Magnetic Resonance Imaging (fMRI) en Positron Emissie Tomografie (PET), hebben aangetoond dat hersengebieden, die een rol spelen bij het voorbereiden en uitvoeren van een beweging, ook actief zijn tijdens mentaal oefenen (Lotze e.a., 1999).
De grote teen
Het in 2004 uitgevoerde onderzoek bestond uit twee, bijna identieke, studies. Aan de eerste studie namen 37 mensen deel die absoluut niet in staat waren om hun grote teen naar buiten te bewegen. Zij werden de absolute zero’s (AZ) genoemd. De tweede studie omvatte veertig mensen die wel in staat waren om hun teen naar buiten te bewegen, hoewel er nog ruimte voor verbetering was. Dit waren de already doing-its (AD). In beide studies werd men willekeurig toegewezen aan een mentale oefengroep, een fysieke oefengroep, of een controlegroep (geen training). Proefpersonen in de mental oefengroep moesten zich gedurende twee trainingssessies van twintig minuten zo levendig mogelijk voorstellen dat ze de grote teen van hun rechtervoet zo ver mogelijk naar buiten bewogen. Zij hielden hierbij hun ogen gesloten. Het was ook niet toegestaan de grote teen ook daadwerkelijk te bewegen. Proefpersonen in de fysieke oefengroep moesten proberen de teen daadwerkelijk naar buiten te bewegen.
Het doel van de training voor de absolute zero’s was het aanleren van de nieuwe beweging. De already doing-its moesten proberen de abductie van de grote teen te verbeteren. De range of motion (ROM) werd aan het begin en het eind van de studie gemeten. Bovendien werd door middel van oppervlakte EMG de spieractiviteit van de m. abductor hallucis geregisteerd.
De controlegroep participeerde alleen in de voormeting en in de nameting.
Resultaten
De resultaten lieten zien dat alleen de already doing-its profiteerden van mentale oefening. Na twee trainingssessies bleken zij zich significant te hebben verbeterd in het zijwaarts bewegen van de grote teen. De absolute zero’s waren niet in staat de beweging aan te leren door middel van mentale oefening. Fysiek oefenen leidde in beide studies tot een verbetering van de abductie van de grote teen. Tevens werd er tijdens mentaal oefenen geen enkele spieractiviteit (EMG) gevonden in de relevante spier (m. abductor hallucis).
Het lijkt er dus op dat een beweging kan worden verbeterd zonder sensorische informatie, wat verwijst naar een centraal mechanisme dat verantwoordelijk is voor de positieve effecten. Tijdens het mentaal oefenen van een beweging zou een in de hersenen opgeslagen representatie van die beweging worden geactiveerd. Dit resultaat heeft implicaties voor de praktijk omdat het lijkt te betekenen dat mentaal oefenen van een beweging aanwezig is. Als dat inderdaad het geval is, komen die bewegingen voor mentale oefening in aanmerking die eerder al eens zijn uitgevoerd (zie ook Mulder e.a., 2003).
Trainingspraktijk
Het lijkt dus geen zin te hebben om nieuwe bewegingen mentaal te oefenen, voordat de sporter die een aantal keren heeft uitgevoerd. Dat wil niet zeggen dat mentaal oefenen geen functie kan hebben bij het aanleren van bewegingen of vaardigheden. Als aanvulling op de reguliere training zou mentaal oefenen wel degelijk kunnen leiden tot (snellere) verbeteringen in bewegingen. Hoewel er slechts enkele studies zijn uitgevoerd naar de effecten van een combinatie van fysiek en mentaal oefenen op het verbeteren van een beweging, laten Jackson e.a. (2001) zien dat een dergelijke combinatie inderdaad leidt tot goede resultaten. De effecten lijken zelfs groter dan bij afzonderlijke fysieke of mentale oefening.
Een groot bijkomend voordeel van mentaal oefenen is dat het bijna overal valt uit te voeren. Naast trainen op het veld kan er ook thuis op de bank worden geoefend. Men moet zich slechts goed kunnen concentreren op de voor te stellen beweging.
Sportgeneeskunde
Een andere toepassing van mentaal oefenen zou kunnen worden gevonden op het terrein van sportgeneeskunde. Wanneer een sporter door een botbreuk, andere blessure of ziekte niet in staat is om al te actief te bewegen, zou mentaal oefenen nuttig kunnen zijn. Door mentaal oefenen kunnen representaties van bepaalde bewegingen of vaardigheden in stand worden gehouden, waardoor het weer op niveau raken na een niet-actieve periode zou kunnen worden versneld. Er is in dit artikel een aantal toepassingsmogelijkheden van mentaal oefenen in de sport aangegeven. Verder onderzoek, liefst in samenwerking met de sportpraktijk, moet aantonen in hoeverre mentaal oefenen kan worden ingezet als evidence based trainingsinstrument.
Dit is een gewijzigde versie van een artikel dat in maart 2004 werd gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.
