Topsportcentra voor alle sporten
Honderden topsporters en talenten en tientallen coaches zijn inmiddels aan de slag in Centra voor Topsport en Onderwijs (CTO) of in Nationale Trainingscentra (NTC). Zo’n centrum moet de ideale combinatie bieden van trainen, studeren en wonen. Komt Nederland vol te staan met Papendal-klonen?
CTO’s en NTC’s zijn de topsportsteunpunten nieuwe stijl. De kiem is gelegd tijdens de evaluatie van de Olympische Spelen van 2004 in Athene. Daarbij kwam de behoefte aan het licht om op locaties topsportprogramma’s te bundelen en te combineren met de benodigde topfaciliteiten.
Masterplan
In het Masterplan Talentontwikkeling 2006-2010 van NOC*NSF vinden we de filosofie achter de CTO’s terug. “In de fase waarin de omvang van trainings- en wedstrijdprogramma’s sterk moet toenemen om de aansluiting op het internationale niveau te krijgen of te behouden, zorgt een aantal factoren, dat te maken heeft met de infrastructuur, voor uitval van een deel van de talenten. Voorbeelden hiervan zijn de combinatie sport en studie, het gebrek aan goede en beschikbare trainingsfaciliteiten, de toenemende reistijden en de beschikbaarheid van voorzieningen. Zij vormen belangrijke randvoorwaarden voor het opleidingsprogramma van het sporttalent.”
Een CTO moet dus dé plek zijn waar sporters in diverse disciplines optimaal en fulltime kunnen trainen, studeren en wonen. Ook het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) is betrokken bij het initiatief en stelde subsidiegelden beschikbaar. Op 24 maart gaf staatssecretaris Bussemaker van VWS officieel het startsein voor de CTO’s van Amsterdam, Heerenveen, Eindhoven en Papendal.
Olympisch en niet-Olympisch
In Amsterdam draaien programma’s voor volleybal (mannen), honkbal, voetbal, zwemmen en roeien. Met de Atletiekunie, basketbalbond en squashbond zijn gesprekken gaande over samenwerking.
In Eindhoven is plaats voor judo, honkbal, zwemmen, schoonspringen, turnen en trampolinespringen. Mogelijk komen daar kunstschaatsen en ijshockey bij.
Papendal is the place to be voor atletiek, diverse wielerdisciplines (weg, baan, mountainbike, BMX), tafeltennis, badminton, taekwondo, schermen, handbal, volleybal (vrouwen), handboogsport en rolstoelbasketbal. Verder bestaan er plannen voor moderne vijfkamp, aangepaste atletiek en de schietsport.
Heerenveen vormt de noordelijke basis onder de CTO’s met schaatsen, shorttrack, turnen, judo en zwemmen. Daar komen misschien nog bobslee, skeleton, futsal en beachvolleybal bij.
Het gaat dus niet uitsluitend om sporten met een Olympische status: zie bijvoorbeeld squash en futsal. “De CTO’s zijn er voor alle sporten”, zegt manager Topsport van NOC*NSF Jeroen Bijl. Sommige sportbonden hebben op meerdere locaties programma’s lopen. Zo kunnen judoka’s, zwemmers en turners zowel in Heerenveen als in Eindhoven terecht.
Nationaal Trainingscentrum
Niet voor elke tak van sport is bundeling in een CTO geschikt. Sporten die gebonden zijn aan een trainingsaccommodatie met specifieke eisen en daardoor locatiegebonden zijn, komen daarom in aanmerking voor de status van Nationaal Trainingscentrum. Nederland telt er nu drie. Beachvolleybal en watersport (zeilen) hebben een plek gevonden in Den Haag. Maar hadden waterpolo (Utrecht) en triatlon (Sittard) niet gewoon aan kunnen sluiten bij een CTO? “Badwater is een schaars goed”, verklaart Bijl de status aparte van het waterpolo. “Het is onbetaalbaar om badwater alleen te claimen voor topsport. In de baden van de CTO’s was niet genoeg ruimte om naast de zwemmers ook nog waterpoloteams te laten trainen.” En waarom de triatleten afgezonderd? Bijl: “Dat komt voort uit de historie. De Nederlandse Triathlon Bond (NTB) had al een compleet programma. De NTB had de zaken goed voor elkaar.”
Onder leiding van bondscoach Guido van Weert startte de NTB al in oktober 2007 een nationaal trainingscentrum in Sittard. De groep atleten die er traint en woont is intussen uitgebreid van twaalf naar zestien. De NTB maakt er geen geheim van dat ze de officiële status van NTC vooral wilde krijgen vanwege de subsidiegelden van VWS en NOC*NSF die daarmee gemoeid zijn.
Formeel zijn alleen de NTC’s in Sittard en Den Haag volledig geaccrediteerd. Maar ook het CTO Waterpolo in Utrecht en de CTO’s in Amsterdam, Eindhoven, Heerenveen en op Papendal draaien al. Zij hebben tot eind 2009 de tijd om aan een aantal prestatieafspraken te voldoen. Accreditaties worden in principe verleend tot 2012.
De CTO’s zijn niet toevallig geografisch over Nederland verdeeld. Volgens Jeroen Bijl is voorlopig geen sprake van uitbreiding van het aantal CTO’s. “In principe doen we het hiermee. We denken dat vier voldoende is voor een goede concentratie van programma’s. Als zich andere sportbonden aanmelden, moeten ze zich aansluiten bij een van de bestaande centra. Een nieuw NTC is wel denkbaar, als de accommodatie dat vereist.”
Twee toetsen
CTO’s en NTC’s moeten voldoen aan een aantal eisen op het gebied van organisatie, infrastructuur, trainingsaccommodaties, onderwijs, huisvesting, begeleiding en (para)medische voorzieningen. Kandidaten worden in twee fasen getoetst. De eerste check, de entreetoets, neemt NOC*NSF zelf voor zijn rekening. Dit is vooral een kwantitatieve toets. Elk CTO moet minimaal zes sportbonden, elf programma’s en 55 topsporters ‘herbergen’ en faciliteren.
In het vervolg van de accreditatieprocedure is een cruciale rol weggelegd voor Valkenbosch Consultancy uit Gouda. Bij een positieve uitslag van de entreetoets oordeelt dit bureau of de kandidaat aan een aantal kwalitatieve criteria voldoet. Een topsportcentrum moet bijvoorbeeld de infrastructuur zo georganiseerd hebben, dat de sporters maximaal tweehonderd minuten per week hoeven te reizen, ongeacht het type vervoer. Het topsportcentrum moet gecoördineerde begeleiding en expertise bieden voor de onderdelen fysiek, sociaal-maatschappelijk, studie, prestatiediagnostiek, voeding en mentale training, en deze moet voldoen aan de kwalitatieve en kwantitatieve eisen van de betrokken sportbonden.
NOC*NSF heeft bewust gekozen voor een onafhankelijke keurmeester. Er zijn geen kandidaten afgewezen voor een CTO-accreditatie. Bijl: “Er zijn wel oriënterende gesprekken geweest met andere steden die een soortgelijke status wilden. Maar al in een vroeg stadium bleek dat dit niet haalbaar was.”
Fietsafstand
Niet alle accommodaties van een CTO zijn op één locatie gecentraliseerd. “Papendal heeft dat nog het meest, maar daar is geen onderwijs”, zegt Bijl. “Uitgangspunt van het concept is dat alles zich op fietsafstand bevindt. Het mooist zou zijn als we allemaal Papendalletjes hadden kunnen creëren, maar dat is niet realistisch. We hebben te maken met bestaande accommodaties.” In Amsterdam concentreert het CTO zich rond de Zuidas van de stad: het Olympisch Stadion, de Sporthallen Zuid, de Bosbaan en de Vrije Universiteit. De locaties voor zwemmen en honkbal liggen in het noordoosten, net als de Hogeschool Amsterdam.
De manager Topsport van NOC*NSF vindt dat in relatief korte tijd al veel verwezenlijkt is. “Als je kijkt naar de programma’s die draaien en de verbetering op het gebied van faciliteiten, dan is de kwaliteit in een paar jaar aanzienlijk omhoog gegaan. Dat moet nu vruchten gaan afwerpen. In Amsterdam gaan de basketbaldames aansluiten. Zonder deze concentratie aan faciliteiten was dat niet mogelijk geweest.”
In de diverse CTO’s en NTC’s hebben rond de dertig talentcoaches emplooi gevonden, gefinancierd door het Ministerie van VWS. De meeste van hen zijn fulltime beschikbaar. Daarnaast zijn nog eens tientallen coaches, kracht- en conditietrainers betrokken bij de programma’s die in de topsportcentra draaien. “Veel bondscoaches doen hun werk in een CTO-setting”, zegt Bijl.
Het aantal sporters dat gebruikmaakt van de faciliteiten van de zeven topsportcentra nadert inmiddels de zeshonderd. Dat is ver boven de gestelde minimumeis van 55 sporters per CTO. “Dat is destijds in het eisenpakket opgenomen om te voorkomen dat zes sportbonden ieder voor één sporter een aanvraag zou doen. Dan zou je moeilijk van een Centrum voor Topsport en Onderwijs kunnen spreken.”
Dit is een bewerkte versie van een artikel uit ‘NLCOACH’, nummer 2-2009.
