Talentontwikkeling: de mental coach kijkt mee

Talent ontdekken is één, talent tot wasdom laten komen is vers twee. In beide gevallen spelen mentale aspecten een grote rol. “Soms is er uitval van talent dat je al lang aan had kunnen zien komen, soms had het met een betere begeleiding gemakkelijk anders gekund”, zegt Bert Korteling, hoofd talentontwikkeling van de Nederlandse volleybalbond. “Mental coaching kan teleurstelling voorkomen en werkt kostenbesparend.”

Misschien ziet de ervaren rot in het vak meteen welke talenten het gaan maken, en welke juist niet. Ze zullen vaak ook wel het gelijk aan hun zijde hebben, de scouts en coaches van sportieve Nederlandse talenten. Anderzijds: hoeveel supertalenten zijn er afgehaakt omdat ze niet of verkeerd werden begeleid? Misschien waren er wel tientallen Johan Cruijffs, maar is alleen die ene door omstandigheden tot volle ontplooiing gekomen.

Voor veel coaches is de begeleiding van jonge sporters Fingerspitzengefühl. En veel clubs en bonden laten het ontwikkelen van talent over aan die voelsprieten van hun coaches. Met het groeiende belang van sport in de moderne wereld en met de voortschrijdende professionalisering, groeit echter ook de behoefte om minder aan het toeval over te laten. Anders gezegd: talentontwikkeling kost te veel geld en energie om talenten te laten afhaken. Inmiddels is een aantal bonden gestart met een wat meer wetenschappelijke aanpak van de talentbegeleiding. Daarbij speelt onderzoek naar de psyche een belangrijke rol. De volleybalbond werkte de afgelopen twee jaren met de zogenaamde PPLS (Psychologische Prestatie Lijst Sporters) om de karakterstructuur van talenten in beeld te brengen. Sportpsycholoog Rico Schuijers legt uit welke gegevens uit deze formulieren te halen zijn. “Het is eigenlijk net als bij het meten van de fysieke conditie, waarbij geturfd wordt op een aantal variabelen zoals snelheid, kracht en coördinatie. Komt iemand kracht tekort, dan ga je daarop trainen. Door de PPLS wordt informatie verkregen op acht onderdelen van de psyche, bijvoorbeeld zelfvertrouwen, plezier, concentratievermogen, opofferingsgezindheid. Aan de hand van de gegevens kun je een programma samenstellen dat de sporter zou moeten gaan volgen.”

Grenzen verleggen

Samen met zijn collega sportpsycholoog Hardy Menkehorst ontwikkelde Schuijers ook een PPLS voor kinderen. “En dat werkt prima”, zegt Schuijers. “Het is opgesteld in Jip en Janneke-taal en daar komen zinnige dingen uit, waarop je meteen kunt inspelen. Een kind dat van zichzelf alles goed moet doen, dus geen fouten mag maken, kun je leren dat er andere manieren zijn om over zijn eigen functioneren na te denken. Ook basisvaardigheden als ademhaling, concentratie, juiste doelstellingen nastreven, zijn jong aan te leren. Mentale training op jonge leeftijd kan een boel ellende voorkomen.”

In de begeleiding van jonge golftalenten kozen Schuijers en Menkehorst ervoor om ook coaches én de ouders te betrekken in de training. Menkehorst: “Strekking van het verhaal: laat het talent zichzelf ontwikkelen en sta die ontwikkeling als coach en als ouder in elk geval niet in de weg. Dat geldt natuurlijk niet alleen voor golf. Er is een wijsheid die universeel van toepassing is: gras groeit niet door eraan te trekken, het moet het hebben van een goede voedingsbodem.”

Ouders en ook coaches maken vaak goedbedoeld de meest irritante opmerkingen. Menkehorst noemt het voorbeeld van een zwemtalent dat een wedstrijd verloren had. “Zegt pa op de terugweg: ‘Ach meisje, het is maar sport.’ Dat kun je niet maken tegen een kind dat dertig uur per week in het zwembad ligt.” Of de coach die na een week keihard trainen kort voor de wedstrijd tegen zijn pupil zegt: ‘En nou moet je het ook goed doen!’.”

De belangrijkste les die Menkehorst, Schuijers c.s. (ze hebben zich verenigd onder de naam Samenwerkende Sportpsychologen) ouders en coaches leren: laat kinderen van het spel genieten. Schuijers: “Winnen en verliezen zijn concepten van volwassenen. Een kind wil sneller of beter worden, het resultaat – winst of verlies – staat daar vaak los van.” De sportpsychologen worden in die opvatting gesteund door wetenschappelijk onderzoek. Jacques van Rossum, bewegingswetenschapper aan de Universiteit van Amsterdam, onderzocht bij sporttalenten hoe groot hun honger naar winst is. Dat bleek enorm mee of tegen te vallen (het is maar hoe je het bekijkt). Jonge sportmensen zijn niet op zoek naar die ene overwinning, ze zijn bezig om beter te worden, om hun grenzen te verleggen, zo bleek uit het onderzoek. Zelfs bij een teamsport als volleybal gaf meer dan zestig procent van de ondervraagden aan winnen van secundair belang te vinden.

De volleybalbond liet de afgelopen twee jaar de talenten die aan volleybalscholen zijn verbonden, PPLS-formulieren invullen. “Het uiteindelijke doel is een volgsysteem van de talenten te maken”, legt Bert Korteling, hoofd talentontwikkeling van de volleybalbond uit. “Als er uitval van talent is, willen wij als bond weten waardoor dat komt. Klopt de analyse van de betrokken trainers wel? Dat is geen wantrouwen. Elke trainer heeft nu eenmaal zijn of haar stokpaardjes en soms trekken ze daardoor niet de juiste conclusies.”

Wat doe je als coach van een talententeam met die ene pupil die eigenlijk alleen maar dwars ligt? Die chagrijnig rondloopt, de sfeer verpest en na elke nederlaag wegzakt in een moeras van stilte en geslotenheid. “Er zijn coaches die het even aanzien, maar er zijn er ook die zo’n kind meteen de wacht aanzeggen” zegt Korteling. “Dat laatste is pertinent fout als je niet weet waarom zo’n kind zich zo gedraagt. Bij ons was er zo’n meisje op een van de volleybalscholen. Die hebben we een PPLS-Teamformulier in laten vullen en daaruit bleek dat ze extreem perfectionistisch was, en daardoor enorm kritisch op zichzelf. Het bleek dat dit meisje erg leed onder haar negatieve zelfbeeld. Als je dat weet kun je er iets aan veranderen.”

Twee jaar lang liet de volleybalbond de nieuwe leerlingen aan de volleybalscholen PPLS-teamformulieren invullen. Inmiddels is de strategie gewijzigd. “Ten eerste omdat er op zo’n jonge leeftijd veel uitstroom is”, zegt Korteling. “Dan wordt het relatief duur, omdat je gegevens invoert van kinderen die later gewoon iets anders gaan doen. Ten tweede is meting bij jongere kinderen moeilijker. Die kunnen nog niet zoveel met vragen waarvoor enige zelfreflectie vereist is.” De volleybalbond bezint zich momenteel op de juiste strategie. Korteling: “Wij willen dat coaches zelf het mentale aspect van de training beheersen. Mental coaching moet onderdeel worden van het werk van een volleybalcoach. Dat was het natuurlijk al, maar enige scholing op dat gebied kan geen kwaad.”

Dat laatste bleek toen er onlangs een bijeenkomst was van volleybalcoaches over dit thema. “De bond werkt samen met het bureau Mental Training & Coaching Centre van Hardy Menkehorst. Menkehorst gaf een lezing over de analyse van resultaten naar aanleiding van het PPLS-Teamformulier. Trainers waren verrast over wat er allemaal uit te destilleren viel.”

Temperament

Anders dan de volleyballers, heeft de hockeybond nog geen structuur aangebracht in het mentale aspect van de talentontwikkeling. “Als er ergens hulp nodig is, dan reageren we direct”, zegt Arno den Hartog, lid van de taakgroep Tophockey. “Ook kijken we of met onze nationale jeugdteams op dit gebied iets kunnen doen. Bij hockey zitten we overigens, en dat uit volle overtuiging, vast aan wat de verenigingen willen en doen. Zij hebben een centrale rol en dat moet zo blijven.”

Het zijn dus de verenigingen die in eerste instantie de hockeytalenten begeleiden. “We vinden dat de maatschappelijke begeleiding van talenten beter kan”, zegt Den Hartog. “Hockey is nog altijd een amateursport. Er wordt inmiddels wel wat in verdiend, maar niemand kan zich financieel onafhankelijk spelen. Er moet dus te allen tijde gekeken worden naar de toekomstige maatschappelijke positie van onze talenten. Dat hoort ook bij hun ontwikkeling.”

Verder zegt Den Hartog dat in de toekomst de coaches nog verder getraind zullen worden. “Past ook weer in het verhaal van de centrale rol voor de clubs. Coaches moeten zelf experts worden op het gebied van mentale begeleiding van jonge mensen. We zijn aan het bekijken hoe we die scholing kunnen opzetten.” Hoe goed die scholing ook zal zijn, de coach krijgt pas zekerheid over zijn pupil als deze doorgebroken is. Als een talent om wat voor reden dan ook afhaakt, is alle tijd en energie verspilde moeite. Genoeg reden om te kijken of talenten een grootste gemeenschappelijke deler hebben. Bewegingswetenschapper Van Rossum onderzocht bij jonge hockeyers en volleyballers de temperamentkenmerken. En wat bleek? Jonge sporters scoren uitzonderlijk hoog op de schaal van extraversie, en abnormaal laag op de schaal van emotionaliteit. “Mogelijk zijn deze aspecten zodanig kenmerkend voor jeugdige topsporters dat er gebruik zou kunnen worden gemaakt bij de selectie of scouting”, concludeert Van Rossum in het blad Sportgericht.

Hardy Menkehorst kijkt met enige scepsis naar het onderzoek van Van Rossum. “Ik herinner me dat in de jaren tachtig in de Sovjet-Unie geprobeerd is om dé sportpersoonlijkheid in kaart te brengen. Als je zou weten dat al die topsporters inderdaad over dezelfde karakterstructuur beschikken, dan ben je inderdaad een stuk verder. Die karakterisering is toen niet gelukt en dat zal nu ook niet lukken. Er is geen wonderformule, er is niet één oplossing.”

Een moderne coach is een allround manager met topkennis van het spel”, stelt Menkehorst. “Maar een coach die denkt dat hij alles weet, moet direct in de spiegel kijken.” Zeker bij jonge talenten moet er zuinig worden omgesprongen met de topsporter. Menkehorst: “Kinderen tussen tien en twintig zitten in verschillende ontwikkelingsstadia. De taak van de coach is ontwikkelen, verder helpen, beter maken. Hij of zij moet een ontwikkelingsstandpunt hebben, en geen wedstrijdstandpunt. Daar kunnen ze volgens mij onze hulp goed bij gebruiken.”

 

Dit artikel werd in december 2006 gepubliceerd in ‘Coachen’.

In
Vond je het interessant? Tweet dit artikel of laat een bericht achter
1 Reactie op dit bericht

Praat mee en deel uw kennis en ervaring. Een foto bij uw reactie? Maak een gravatar aan op gravatar.com

  1. ellen heijn
    Verder zegt Den Hartog dat in de toekomst de coaches nog verder getraind zullen worden. “Past ook weer in het verhaal van de centrale rol voor de clubs. Coaches moeten zelf experts worden op het gebied van mentale begeleiding van jonge mensen. We zijn aan het bekijken hoe we die scholing kunnen opzetten.” Hoe goed die scholing ook zal zijn, de coach krijgt pas zekerheid over zijn pupil als deze doorgebroken is. Als een talent om wat voor reden dan ook afhaakt, is alle tijd en energie verspilde moeite. Dit is naar mijn mening wel een eenzijdige benadering. Elke sporter die mentale vaardigheden ontwikkelt zal deze ook vaardigheden meenemen in het maatschappelijke leven en dat heeft ook waarde, alleen neit direct voor de sport waar hij vandaan komt. Door de sporters te binden zou je dat later wel weer kunnen benutten. Al is het maar later als ouder van zijn kinderen. Je ziet steeds betere coaches in de hockeysport doordat oud (top) spelers hun kinderen weer gaan coachen. Die zouden een versnelde opeliding moeten kunnen volgen in het (mentaal coachen).
Geef je reactie

Je emailadres. Velden met een * zijn verplicht

NLcoach CONGRESSEN

  • okt
    25
    Congres Kennis in Beweging (i.s.m. KVLO en Fontys Hogeschool)
  • nov
    2
    Trainercongres Wielrennen
  • nov
    9
    Congres i.s.m. Topsport Limburg in Sittard
alle congressen