Talentontwikkeling als heilige koe

De coaches staan eindelijk vooraan bij de verdeling van de miljoenen euro’s in de topsport. In ruil daarvoor zullen zij van onze sporttalenten toppers maken, en daarmee Nederland naar de wereldtop leiden. Tot zover de theorie, nu de praktijk. Wie garandeert dat meer geld voor coaches ook leidt tot topprestaties? Is sportsucces te koop? Zes coaches geven het antwoord.

‘In het topsportbeleid verschuift de aandacht van de hardware naar de software’, schreef het Sociaal Cultureel Planbureau in 2006. Oftewel: voortaan staat de coach centraal, nadat er jarenlang vooral in accommodaties en evenementen is geïnvesteerd. Dit zonnige perspectief lonkt des te meer nu topsport in Nederland hoger op de politieke en maatschappelijke agenda is komen te staan. NOC*NSF maakte zich bij monde van technisch directeur Charles van Commenée hard voor de positie van de coach, die financieel achtergesteld zou zijn. Hij vond weerklank bij het ministerie van VWS. Dat resulteerde in het programma Coaches aan de top, dat een onderdeel is van de beleidsnota Tijd voor sport (.pdf). Daarin is tot 2010 ruim 100 miljoen euro vrijgemaakt voor sport, en een aanzienlijk deel daarvan komt de coaches toe. Ten eerste is er 18 miljoen euro beschikbaar voor ongeveer 75 ‘topcoaches’ die een fulltime aanstelling krijgen bij de verschillende sportbonden, met een salaris volgens de CAO-sport. Daarnaast is er de TopCoach5-opleiding, bedoeld voor de meest getalenteerde coaches van Nederland. Het ambitieuze doel van dit topsportbeleid is dat Nederland tot de tien beste sportlanden ter wereld gaat behoren.

Naast de topsport is er nog eens 57 miljoen euro beschikbaar voor het bevorderen van integratie van de allochtone jeugd door sport. Een deel daarvan is opnieuw bestemd voor de leermeesters. Doel is namelijk dat in 2010 ‘in 20 takken van sport alle trainers en coaches een opleiding hebben gevolgd.’ Het kleine Nederland als één van de tien beste sportlanden ter wereld, het klinkt mooi. Het middel bij uitstek om die doelstelling waar te maken: vroegtijdige talentherkenning en – ontwikkeling. Daarin kan onze bescheiden sportnatie namelijk een voorsprong nemen ten opzichte van de grote landen. Daarmee lijkt de (financiële) emancipatie van de coach gerechtvaardigd. Want wie moet al dat talent herkennen en kneden? Het antwoord: de coaches. Hoe zorgen we dat hen dat lukt? Door geld in het gilde te pompen.

Beginnersgeluk

Maar is het wel waar dat coaches zo’n bepalende rol hebben bij de ontwikkeling van talent? Soms wel, soms niet, vindt Foppe de Haan. “Absolute talenten, zoals Cruijff, Van Hanegem en Van Basten, die train je niet, die worden geboren. Wat je ook doet of juist niet doet, ze komen heus wel naar boven. Om hen gaat het dan ook niet bij talentontwikkeling, het gaat om wat er net onder zit. Daar is nog veel winst te behalen en in dat proces is de trainer ongemeen belangrijk. Hij moet op technisch gebied verstand van zaken hebben en hij moet zijn pupil goed kennen. Hij moet zich in het talent kunnen verplaatsen en hem de ruimte geven om zichzelf te ontdekken.”

Turncoach Frank Louter denkt daar anders over: ook toptalent moet ontwikkeld worden. “Talent is in mijn sport een basisvoorwaarde. Maar turnen is ook een zeer arbeidsintensieve sport: er moet keihard gewerkt worden om dat talent te voorschijn te halen en tot ontwikkeling te brengen. Uitgedrukt in een verhouding: turnen is drie procent aanleg en 97 procent keihard werken. Wat betreft de rol van de coach in dat proces sluit ik mij aan bij de uitspraak van Jeroen Bijl van NOC*NSF: de sporter staat centraal en de coach stuurt. Hij is de dienende leider.”

Bert Goedkoop, bondscoach van het beachvolleybal, valt zijn turncollega bij: “Talent is niet meer dan beginnersgeluk. De coach moet dat talent ontwikkelen.” Natuurlijk profiteren coaches nu van de het feit dat topsport ‘hot’ is geworden, aldus Goedkoop, maar dat is bepaald geen overbodige luxe of weggegooid geld. Juist niet! “Wat betreft het ontwikkelen van trainingsprogramma’s en het creëren van een goede omgeving voor de sporter, is de rek eruit. Dus wordt het steeds belangrijker om talenten vroegtijdig te herkennen, en daar heb je goede coaches voor nodig.”

NeVoBo-collega Appie Krijnsen is wat terughoudender als het gaat om de invloed van de coach. “Ik vergelijk diens rol bij talentontwikkeling met die van de ouders bij de opvoeding van hun kind. Wat is doorslaggevend voor de ontwikkeling: nurture of nature? Opvoeding of natuur? Ik weet het niet. Natuurlijk, uitzonderlijk talent, zoals bijvoorbeeld Bas van de Goor bezat, dat is aangeboren. Maar ook die natuurtalenten kunnen niet zonder een goede coach. Dat is hetzelfde als een klas zonder docent. Doe de deur maar eens dicht en kijk wat er gebeurt.”

André Cats, bondscoach junioren bij de KNZB, twijfelt niet aan het nut van coaches en de noodzaak van meer geld. “Voor mij houdt talentontwikkeling vooral in dat we zwemtalent vasthouden en dat we minder drop-outs hebben. Wij merken nu steeds dat er bij de laatste stap in het ontwikkelingsproces, van de juniorennaar de seniorentop, veel zwemmers afvallen. Het verkleinen van de kans op uitval vergt geld, want werken aan de top is maatwerk: daar heb je dus goede mensen voor nodig, die er veel tijd in kunnen investeren.” Foppe de Haan lijkt dus tamelijk alleen te staan in zijn opvatting dat absolute toptalenten vanzelf wel komen bovendrijven. Frank Louter heeft daar wel een verklaring voor. “Misschien is de rol van de coach wel afhankelijk van de grootte van de sport. In sporten met veel beoefenaars, zoals voetbal, hoef je maar te zorgen voor een goede organisatie en logistiek, de toppers vechten zich dan vanzelf wel naar boven. Bij kleinere sporten moet je zuinig zijn op elk toptalent dat zich aandient, en wordt de rol van de coach belangrijker.”

Inhaalslag

De meeste coaches zijn er dus van overtuigd dat zij een belangrijke rol spelen bij het ontwikkelen van talent en dat het investeren van meer geld in talentontwikkeling onontbeerlijk is voor meer Nederlands sportsucces (lees: medailles). Dient zich een andere vraag aan: wanneer gaat een terechte beloning voor noeste arbeid over in naijver en jacht op baantjes; waar eindigt de passie van de vakman en begint de gemakzucht van de (over)gesubsidieerde trainer?

“In Engeland, waar bijvoorbeeld in de atletiek veel geld omgaat, grijpt het fenomeen broodtrainer meer en meer om zich heen”, vertelt André Cats. “Zij werken vooral voor het geld en er ontstaat al snel een 9 tot 5-mentaliteit. Maar in Nederland zijn we daar heel ver van verwijderd. Coachen is hier nog steeds een soort vrijwilligerswerk, dat gedaan wordt door hele enthousiaste mensen.” Ook volgens Appie Krijnsen mist het beeld van de overbetaalde, weinig ambitieuze coach elke realiteit. “De Nederlandse coaches worden heus niet opeens rijk. Als je ervan uitgaat dat voor de ontwikkeling van toptalent tien jaar lang 10.000 trainingsuren nodig zijn, dan moet de coach op zijn minst even zoveel uren investeren. Daar komt nog bij dat hij video’s moet analyseren, gesprekken moet voeren, contacten onderhouden, enzovoorts. Dan is volgens mij maar één conclusie mogelijk: voor de ontwikkeling van talent heb je fulltime coaches nodig, dat kan niet in een halve dag. Dát wordt nu financieel mogelijk gemaakt. Een volkomen terechte én noodzakelijke inhaalslag.”

Volgens handbaltrainer Harrie Weerman, is geld in zijn sport nog steeds dermate schaars dat het beeld van een zakkenvullende coach bijna een belediging is. “Omdat er zo weinig geld is, gaat er nog veel handbaltalent verloren. We hebben nu de Handbal Academie in Papendal, maar we moeten de voedingsbodem daaronder beter benutten, anders wordt die academie een vlag op een modderschuit. Als het lukt de opleidingstructuur te verbeteren, kan Nederland tot de wereldtop gaan behoren. Het enthousiasme bij de leden en de ambitie bij de talenten is aanwezig. Nu het geld nog.”

Voormalig Heerenveen-trainer Foppe de Haan is evenmin bang voor overwaardering en wijst op de groei die zijn oude club heeft doorgemaakt, mede dankzij de professionalisering van het trainerskorps: “Vroeger waren mijn assistent en ik bij Heerenveen de enige trainers, en dan werkten we ook nog eens parttime. Nu zijn er wel twaalf trainers, er is een hoofd opleidingen, een fitnesstrainer, een mentale begeleider et cetera. Coaches in andere sporten moeten nu nog vaak in de avonduren werken. Als dat voortaan overdag kan, dan is dat al een hele stap vooruit.”

 

Dit artikel werd in juni 2007 gepubliceerd in ‘Coachen’.

In
Vond je het interessant? Tweet dit artikel of laat een bericht achter
Geef je reactie

Je emailadres. Velden met een * zijn verplicht

NLcoach CONGRESSEN

  • okt
    25
    Congres Kennis in Beweging (i.s.m. KVLO en Fontys Hogeschool)
  • nov
    2
    Trainercongres Wielrennen
  • nov
    9
    Congres i.s.m. Topsport Limburg in Sittard
alle congressen