Talenten leren sneller dan subtopper
Trainers en coaches krijgen steeds meer objectieve meetinstrumenten in handen om te bepalen of opvallende jonge sporters échte talenten met toekomstperspectief zijn. Bewegingswetenschapper Marije Elferink-Gemser verzamelde en ontwikkelde zelf een aantal testen die in het hockey en voetbal toepasbaar zijn. Een opmerkelijke bevinding: talenten leren sneller dan anderen.
Hoewel ze voor haar proefschrift de keuze maakte voor het hockey (“een beetje arbitrair, maar ik wilde graag meiden erbij”), strekte haar onderzoek zich uit tot hockey én voetbal. “Voor beide sporten hebben we testbatterijen ontwikkeld, om te zien wat de verschillen zijn tussen spelers die op jonge leeftijd door trainers en coaches worden gezien als potentiële toppers en als subtoppers”, zo vertelt ze. “Omdat we de trainers graag handvaten aan willen reiken waarmee ze kunnen zien hoe een ontwikkelingstraject van een talent verloopt in het steeds veranderende leven van jongeren tussen 12 en 18 jaar. Wie haalt de top, wie niet en waarom en wat zijn de wetmatigheden daarbij?”
Voor het onderzoek nam ze daarom spelers die geselecteerd waren voor de landelijke teams en plaatste die tegenover spelers die alleen bij hun eigen verenigingen in de topselecties trainen. In het hockey ging ze daarvoor naar de hockeyclubs Den Bosch en Rotterdam, in het voetbal naar FC Groningen en SC Heerenveen.
De échte topper
De twee belangrijkste vragen in het onderzoekt zijn wat de verschillen zijn tussen beide groepen, en of er testen zijn die iets zeggen over het toekomstperspectief van de talenten; wie groeit, met andere woorden, straks uit tot een échte topper in zijn of haar sport.
Gemser strekte het onderzoek uit over vijf gebieden:
1. antropometrische eigenschappen: relatief het eenvoudigst te meten: lengte, gewicht en vetpercentage.
2. fysiologische kwaliteiten: daarvoor gebruikte ze de voor deze teamsporten belangrijke informatie uit diverse vormen van de shuttle run (waaronder ook een eigen variant waarin het interval-uithoudingsvermogen kan worden bepaald);
3. technische kwaliteiten: ook in de vorm van shuttle-runs gemeten, maar nu met de bal aan de stick of aan de voet;
4. tactische kwaliteiten: via vragenlijsten over algemene tactiek en over tactiek bij het al of niet in balbezit zijn;
5. mentale kwaliteiten: via het testen van motivatie, zelfvertrouwen, angstcontrole, mentale voorbereiding, teamoriëntatie en concentratie.
Een deel van de testen heeft Gemser zelf ontwikkeld en onderzocht op betrouwbaarheid. Voor andere onderdelen maakte ze gebruik van bestaande – soms specifiek op dit onderzoek afgestemde – testbatterijen.
Sportgeschiedenis
De meest opvallende verschillen in het hockey komen terug in de tactiek bij balbezit, in motivatie en in de prestaties bij de slalom-dribbel. Ook blijkt dat toppers zich al op jongere leeftijd onderscheiden van de ‘gewone’ spelers. Gemser wijst er overigens op dat het belangrijk is om niet alleen naar de leeftijd te kijken, maar ook naar de persoonlijke ‘sportgeschiedenis’ van de spelers: “Een veertienjarige die al acht jaar hockey speelt is misschien even goed als een leeftijdgenoot die pas twee jaar speelt. Maar dan kan die laatste meer toekomstperspectief hebben, omdat het leervermogen kennelijk heel groot is.”
Waarom de een zich sneller ontwikkelt dan de ander kan Gemser nog niet precies verklaren. “Als ik speculeer zou ik zeggen: het is een combinatie van aanleg en training. Toppers hebben de mentale vaardigheid om meer uit een training te halen dan subtoppers. Er zijn natuurlijk ook grote verschillen in de kwaliteiten van trainers. Bovendien pikt een sporter van de ene trainer meer op dan van de andere. We hebben dat in dit onderzoek niet kunnen meten, omdat de aantallen sporters per trainer te klein waren om over de kwaliteit van de trainingen betrouwbare conclusies uit te trekken . Maar het is een mooi vervolgonderzoek waard. Zoals het natuurlijk ook de moeite waard is om uit te zoeken hoe je als trainer elementen als technische vaardigheden, tactisch inzicht en motivatie het best kunt beïnvloeden.”
Snellere ontwikkeling
Om het perspectief van de jonge topper te kunnen meten, volgde Gemser hockeyers en voetballers – ook weer toppers en subtoppers – gedurende drie jaar, vanaf het seizoen 2000-2001 tot en met 2004. Daarbij bleek dat de jeugdige toppers in het hockey vaak al op veertienjarige leeftijd uitblinken: ze beschikken over een uitstekende techniek en goed tactisch inzicht. De meisjes scoorden daarnaast ook hoog bij het testen van interval-uithoudingsvermogen, motivatie en zelfvertrouwen. Voor beide geslachten geldt dat ze zich op allerlei gebieden sneller ontwikkelen dan de subtoppers van 14- tot 16-jarige leeftijd.
Dat geldt zeker voor het interval-uithoudingsvermogen. Gemser laat zien dat aan de hand van leeftijd, vetpercentage, extra trainingsuren en motivatie de ontwikkeling hiervan voorspeld kan worden. “Maar daarbij is het wel van belang rekening te houden met de groeispurt die jongeren in deze leeftijd kunnen doormaken. Je hebt snelle, matige en trage groeiers. Snelle groeiers kunnen op een gegeven moment technisch minder goed scoren, omdat die groei de lichaamsbeheersing kan verminderen. De toppers blijken die relatieve achterstand echter snel in te halen.”
Tactiek meten
Gemser ontwikkelde – in samenwerking met een groep van 19 hockeytrainers – een vragenlijst om de tactische vaardigheden van jonge spelers te beoordelen. Dat leidde tot de Tactical Skill Inventory for Sports (TACSIS). De test meet zowel het ‘weten wat je moet doen’ als ‘het doen’ zelf. Er worden vier elementen beoordeeld:
- positie kiezen en besluitvorming;
- inzicht in acties met de bal;
- inzicht in anderen;
- omgaan met veranderingen.
De vraag is of spelers die dit soort schriftelijke vragen aan tafel in de kantine het best beantwoord hebben ook op het veld de juiste keuzes maken. “Dat blijft natuurlijk lastig, maar uit het onderzoek blijkt dat de test echt betrouwbaar is en bovendien onderscheid maakt tussen spelers van verschillende prestatieniveaus. Wie ‘op papier’ het beste inzicht toont, laat dat ook in zijn of haar spel zien. We blijven echter werken aan manieren om tactiek ook in het veld te meten. Een voorbeeld daarvan zijn de LPM-metingen (Local Positioning Measurement) bij onder andere de jeugdvoetballers van PSV, een samenwerkingsverband tussen de universiteit in Groningen, in Amsterdam, TNO en NOC*NSF.
“Er zijn nog veel meer eigenschappen die bepalend zijn of een sporter een topper kan worden”, weet Gemser. “Maar het probleem is dat er nu nog geen testen zijn om dat ook verantwoord te meten. We hebben bijvoorbeeld geprobeerd het nauwkeurig schieten onder tijdsdruk op een doel te onderzoeken. Dat deden we met pionnen en een doel zonder keeper. Maar met échte tegenstanders en een keeper in de goal reageren spelers anders. Omdat niemand steeds op dezelfde manier reageert, kun je geen standaardscènes creëren en daardoor is dat de wetenschappelijke betrouwbaarheid van zo’n test te klein.”
Marije Elferink-Gemser (32) is oud-schaatser en -wielrenster. Ze studeerde bewegingswetenschappen aan de RUG in Groningen en deed daar haar promotie-onderzoek aan de faculteit der Psychologische, Pedagogische en Sociale Wetenschappen. Ze promoveerde in april 2005 bij prof. Dr. Theo Mulder, dr. Chris Visscher en dr. Koen Lemmink op het proefschrift ‘Today’s talented youth field hockey players, the stars of tomorrow?’ Het onderzoek is mede gefinancierd door NOC*NSF.
Het talentonderzoek is wetenschappelijk onderscheiden op het ECSS (European Congress for Sports Sciences) 2005 in Belgrado met de Young Investigators Award.
Dit is een aangepaste versie van een artikel dat in december 2005 werd gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.

Praat mee en deel uw kennis en ervaring. Een foto bij uw reactie? Maak een gravatar aan op gravatar.com