Overtraining bij jeugdige topsporters

De studie naar overtraining is volgens psychologe Jolanda Roose tot nog toe voornamelijk gericht op volwassenen, en dan ook nog eens alleen op het fysiologische aspect. Maar hoe zit het dan bij topsportende kinderen? Welke fysiologische en psychosociale indicatoren zijn voor elf- tot negentienjarige topsporters te gebruiken voor het vroegtijdig herkennen van overtrainingsverschijnselen? “Omdat de groei bij kinderen een bemoeilijkende factor is, gaat men onderzoek bij deze populatie uit de weg,” veronderstelt Roose.

Bij onderzoek onder volwassen (top)sporters wordt volgens haar de fout gemaakt dat te veel het accent wordt gelegd op trainingsvolume en -intensiteit. “De stelling dat overtraining wordt veroorzaakt door de trainingsbelasting getuigt van een te beperkt gezichtspunt. Zelden worden stressoren buiten de training of wedstrijden betrokken in onderzoeken naar overtraining.” Roose deed daarom zelf onderzoek onder jeugdige topsporters en bekeek daarbij een seizoen lang de waarden van cortisol, groeihormoon, testosteron en de afweerstof IgA in het bloed, plus de psychosociale eigenschappen van de groep.

“Alles al bekend”

Het zou atletiektrainer Henk Kraaijenhof verbazen als het onderzoek van Roose nieuwe gezichtspunten oplevert. Over overtraining is volgens hem al genoeg bekend. “Laten we eerlijk zijn: we weten op dit punt toch al alles. Het wiel hoeft niet opnieuw uitgevonden te worden. Ik bel toch ook niet naar het KNMI om te zien wat voor weer het is? Ik kijk gewoon naar buiten.”

Zo zegt Kraaijenhof overbelasting bij een atleet op een kilometer afstand te herkennen. Maar dat geldt niet voor al zijn collega’s. “Veel coaches willen of kunnen de symptomen niet herkennen. Ik heb de indruk dat er wel voldoende kennis is, maar dat daarmee in de praktijk te weinig gebeurt. Ze zoeken factoren elders, als het misgaat. Iedereen weet hoe het moet, maar handelt daar niet naar.”

“Net zoals iedereen weet dat het niet verstandig is om met twintig biertjes op achter het stuur te gaan zitten, maar het gebeurt wel. Als ik aan een volle zaal vraag: ‘Wie eet er gezond?’, steken ze allemaal hun hand op. Maar laboratoriumtests zouden anders uitwijzen, dat weet ik zeker.”

Kraaijenhof onderkent dat het risico van overbelasting in de topsport levensgroot aanwezig is. “Ten eerste heb je te maken met de druk die de sporter zichzelf oplegt. Dan heb je de medespelers of, zoals in de estafette, de medelopers. Wie verder nog? De trainer, de ouders – zeker in het geval van jongeren spelen die een grote rol -, de bond, de bondscoach, de media, sponsors, managers. Het is dus geen wonder dat het wel eens misgaat. Elk decennium neemt het aantal stressoren toe. Het is zaak om de sporter daarvoor af te schermen. Dat is op de eerste plaats de taak van de trainer/coach.”

“Kunstfout”

Kraaijenhof noemt het een ‘kunstfout’ als een trainer het toch zo ver laat komen dat een pupil overtraind raakt. “Het hoort niet bij de regels. Net zoiets als een wijnhandelaar die de wijn zuur laat worden. Elk beroep heeft zo zijn spelregels. Overtraining hoort niet meer van deze tijd te zijn. Toch gebeurt het nog keer op keer: atleten die wedstrijden missen door blessures. De meeste sporters gaan harder trainen terwijl er nog progressie is. Een schepje erbovenop kan altijd nog. Wil je soms een gouden medaille voor wie het hardst kan trainen? Je kunt lang progressie boeken door bijvoorbeeld te variëren in de training en te letten op voeding.”

“Bij jongeren is overtraining des te erbarmelijker. Schandalig als je sporters op die leeftijd over de kling jaagt. Jongeren hebben toch al veel non-training-stressoren: school, ouders, groei, vriendinnen, huiswerk. Met al die factoren heb je als begeleider rekening te houden. Helemaal vreemd is het als een jongen die nog niet eens goed een bal kan aannemen, overtraind raakt. Van techniektraining word je niet bepaald overstressed. Zeker met een kleine groep sporters moet je er als begeleider alles aan doen om overtraining te voorkomen. Train zoveel als nodig is, niet zoveel als mogelijk is. Dat is een gouden regel. Wat je vaak ziet, is dat, wanneer de resultaten tegenvallen, de trainer er een schepje bovenop doet. Zo van: “Dan kunnen ze in elk geval niet zeggen dat we lui zijn geweest.”

Sympathicus en parasympathicus

Kraaijenhof verwijst naar een klassiek onderzoeksartikel over het autonome zenuwstelsel en overtraining uit 1976, uit de voormalige DDR. “Autonoom wil zeggen: zelfstandig. Aan blozen, wit wegtrekken, hartkloppingen kun je niets doen. Dat zijn autonome verschijnselen. Er worden twee takken van het autonome zenuwstelsel onderscheiden. De eerste bereidt je voor om te vechten of om te vluchten. Dat is de arbeidskant van het autonome zenuwstelsel, ook wel sympathicus genoemd.”

“De tweede tak, de parasympathicus, is het rempedaal. Die zorgt ervoor dat de hartslag zakt naar normale waarden. Als deze twee takken continu in dysbalans zijn, kunnen er twee dingen gebeuren. Of je raakt uitgeput of je bent hyper, over de rooie. Het eerste kwam in het onderzoek voor bij duursporters, het andere bij explosieve sporters, zeg maar sprinters. Alsof je met een baksteen op het gaspedaal rijdt, terwijl de remkabels doorgeknipt zijn, dat idee.”

“Ik zie overtraining ver van tevoren aankomen. Door te testen en te meten. Het kost twee minuten per atleet, je hoeft er zelfs geen bloed voor af te nemen. Je meet via de hartslag. Daarvoor bestaat een apparaatje. Op den duur heb je dat niet meer nodig. Je moet als trainer niet de slaaf worden van een apparaat; dat zou ook fout zijn.”

Meer onderzoek nodig

Fysioloog dr. Hans Keizer is het niet eens met Henk Kraaijenhof dat alles al bekend is over overtraining bij jonge topsporters. De voormalige atletiekbondscoach moedigt verder onderzoek aan, al is er al wel het nodige over dit onderwerp bekend uit de literatuur. “Een van de belangrijkste symptomen van overtraining is dat de productie van groeihormonen helemaal wordt platgelegd”, vertelt Keizer. “Het beste bewijs dat er overtraining in het spel is als er een soort catch-upgroei plaatsheeft op het moment dat een sporter geblesseerd raakt. Ook in het geval van het volledig uitblijven van de menstruatie bij jonge atletes durf ik keihard te stellen dat er overtraining in het spel is.” Een andere ‘bijwerking’ is het niet goed verlopen van de verbening.

Kenmerken van overtraining worden door begeleiders onvoldoende onderkend, vindt Keizer die zitting heeft in een internationale werkgroep die zich speciaal bezighoudt met overtraining. “Probleem is dat een aantal symptomen zo sluipend is, dat je ze niet ziet. Want wie kan vertellen hoe snel iemand moet groeien? Dat weet je pas als de overbelastingsprikkel wegvalt. Als je elke dag omgaat met een sporter die gewoon groeit, kun je niet zien of de groei minder is dan wanneer die sporter niet zo zwaar zou trainen. Daarvoor moet je botkennis hebben.”

“Ik ben het wel met Kraaijenhof eens dat bij volwassenen een goede trainer overbelasting moet kunnen voorkomen. Maar bij jongeren zijn daarvoor geen eenduidige signalen. Het is een heel pluriform gebeuren. Je moet allerlei parameters in de gaten houden.”

Structurele schade zeldzaam

Het risico dat een jeugdige topsporter structurele schade oploopt door overbelasting acht Keizer niet zo groot. “Hoewel er wel voorbeelden bekend zijn uit het turnen. Topsport is per definitie extreem, maar kinderen zijn heel goed belastbaar. Maar ook extra gevoelig voor overbelasting, vanwege de groei. Overigens moet je niet alleen bij turnen waakzaam zijn. Ook middellangeafstandslopers en wielrenners moeten opletten dat ze niet te mager worden. Dat duidt op problemen. Zo kan de steroïde huishouding ontregeld raken.”

Late menstruatie en een onregelmatige cyclus duiden op overtraining bij vrouwen. Keizer: “Dan wordt er door de trainer gezegd: “Dat hoort bij haar.” Maar hoe weet hij dat? Ik heb nooit meegemaakt dat een trainer een moeder vroeg naar de regelmatigheid van haar cyclus, want het is iets wat erfelijk bepaald is. Stressfracturen duiden eveneens op overtraining. Die horen namelijk helemaal niet bij die leeftijd. Ook niet bij sporters tussen de twintig en dertig jaar. Dat is overbelasting, punt uit.”

 Overmatige stress funest

Keizer: “In de zwemsport hebben Oost-Duitse cardiologen onderzocht of overtraining schade aanricht. Hun conclusie was dat dit in elk geval niet het geval was voor het hart en de hartcirculatie. Het houdings- en bewegingsapparaat konden wel duidelijk worden beschadigd. En als je het helemaal verknalt, kan zelfs het neuro-endocrine systeem (de wisselwerking tussen hormonen en zenuwen in de hersenen) een flinke klap krijgen.”

Keizer heeft daar zelf onderzoek naar gedaan. “Er zijn voorbeelden genoeg van topatleten die opeens stukken minder presteren. Altijd na een periode van overmatige stress. Bijvoorbeeld omdat ze de hele wereld overvliegen en continu tijdsbarrières moeten slechten en ondertussen toch doortrainen en wedstrijden afwerken. Dat betekent een continue productie van stresshormonen, die het afweersysteem onderdrukken. Het gevolg is verzwakking van de spieren en dan kunnen er rare dingen gebeuren. Zoals een totale ruptuur van de vierkoppige dijbeenspier.”

“Stresshormonen heb je nodig om te presteren,” vervolgt Keizer. “Maar als de hormoonspiegel continu hoog blijft, heb je de poppetjes aan het dansen. Blijvende beschadiging van de hartspier is dan niet uitgesloten. Een buitengewoon vervelende situatie. Alleen wordt dat niet gauw herkend als vorm van overtraining, omdat de diagnose moeilijk te stellen is.”

Opzet van het onderzoek

Volgens psychologe Jolanda Roose zijn drie uitgangspunten van belang als het gaat om overtraining in topsport bij kinderen.

1. Overtraining kan slechts marginaal worden bestudeerd aan de hand van kortdurende inspanningsfysiologisch getinte studies. Het proces dat leidt tot overtraining wordt mogelijk door andere mechanismen bestuurd dan door excessieve inspanningen.

2. Overtraining wordt veroorzaakt door de totale hoeveelheid stressoren en de omgang hiermee van het individu.

3. Herstel in de slaap speelt een centrale rol.

 

Dit is een aangepaste versie van het artikel dat in februari 2002 werd gepubliceerd in het blad Coachen.

In
Vond je het interessant? Tweet dit artikel of laat een bericht achter
1 Reactie op dit bericht

Praat mee en deel uw kennis en ervaring. Een foto bij uw reactie? Maak een gravatar aan op gravatar.com

  1. Walter D'Amico
    Ik ben het eens met Jolanda Roose. Overtraining is bij jongeren niet zomaar te duiden, tenminste niet de oorza(a)k(en). De hoeveelheid stressoren zijn zelfs niet bekend bij de meeste trainers, laat staan hun invloed.... Wat ik praktischer vind dan een onderzoek naar die stressoren en hun invloed is een checklist en handvatten om overtraining te voorkomen. Deze dan op regelmatige basis te laten invullen door de belangrijkste 'stakeholders': ouders, trainers, sporter, leerkrachten, dokter,.... en met deze gegevens al dan niet trainings/toernooiplanning aanpassen om overtraining te voorkomen!
Geef je reactie

Je emailadres. Velden met een * zijn verplicht

NLcoach CONGRESSEN

  • okt
    25
    Congres Kennis in Beweging (i.s.m. KVLO en Fontys Hogeschool)
  • nov
    2
    Trainercongres Wielrennen
  • nov
    9
    Congres i.s.m. Topsport Limburg in Sittard
alle congressen