Monotoon stijgende relatie tussen uren oefening en prestaties

Deliberate practice en prestatiemotivatie. Dat zijn bepalende factoren die een rol spelen bij de beslissing om vroegtijdig te stoppen met schaken. Die conclusie lijkt gerechtvaardigd op basis van het onderzoek ‘Opgeven of doorspelen’ van de Erasmus Universiteit in Rotterdam, financieel ondersteund door NOC*NSF. 

De conclusies liegen er niet om. De doorzetters besteden meer tijd aan training en dan met name aan deliberate practice, bewuste oefening. De volhouders blijken ook meer gefocust op prestatieverbetering en beleven meer plezier aan de schaaktraining. Tevens toont het onderzoek aan dat de uitvallers een lagere prestatiemotivatie bezitten, minder competitief zijn ingesteld. Het onderzoek geeft de schaakbond handvatten om de selectiecriteria voor centrale trainingen aan te scherpen. In ieder geval ziet Jeroen Bosch, hoofd topsport van de KNSB, voldoende aanknopingspunten om het talentontwikkelingsbeleid te verbeteren.

Doorzetters en afvallers

Onderzoekster De Bruin waarschuwt echter voor al te drastische maatregelen naar aanleiding van haar bevindingen. “Probleem is dat we niet hebben kunnen meten hoe de motivatie van de jeugdige schakers zich in de loop der tijd heeft ontwikkeld,” zegt zij. “We kunnen dus niet stellen dat de prestatiemotivatie van de uitvallers van het begin af aan al minder is geweest of op het moment van selectie. Daarom is het heel riskant om daarop te gaan selecteren. Ik zou zelf zeker niet op basis van één onderzoek een dergelijke conclusie trekken.”

Wat redelijk meetbaar is, is de tijd die jonge schakers in hun sport steken. Dat een natuurtalent met minimale trainingsinspanning de top kan halen, daarin geloven wetenschappers niet meer. Die theorie deed tot zo’n tien jaar geleden nog opgeld. Toen is daarin volgens De Bruin een kentering gekomen en heeft de theorie van deliberate practice terrein gewonnen. “Er zijn geen voorbeelden in de sport van mensen die de top hebben bereikt zonder daarin veel tijd te hebben geïnvesteerd. Cruciaal is hoeveel tijd je bereid bent erin te steken. En op welke manier je die tijd besteedt.”

Hoeveelheid training bepalend

De Bruin: “Wanneer heb je talent voor schaken? Waarschijnlijk heb je dan een hoger IQ dan gemiddeld. Maar er zijn een hoop mensen met een bovengemiddeld IQ die geen grootmeester worden. Er zijn geen aanwijzingen dat er zoiets bestaat als een speciaal talent voor schaken. Wel dat de hoeveelheid training bepalend is. Dat kun je doortrekken naar andere sporten en zelfs naar muziek. Verschillende onderzoeken geven een monotoon stijgende relatie aan tussen uren oefening en prestaties. Dat is de heersende theorie die alweer een jaar of tien geleden is geformuleerd en daarna is uitgebouwd.”

De theorie is onder andere geformuleerd door de Zweedse psycholoog dr. K.A. Ericsson in 1993. Simpel gezegd: oefening baart kunst. De Bruin: “Maar dan wel deliberate practice.” Dat zijn meestal niet de meest aantrekkelijke vormen van oefening. Prestatieverbetering op de langere termijn vormt het uitgangspunt. Een kenmerk van deliberate practice is dat er sprake is van een taak met de juiste moeilijkheidsgraad, aangepast aan de betreffende persoon. Daarnaast moet degene die de oefening doet feedback krijgen over zijn of haar prestaties waarmee hij/zij iets kan. En er moet voldoende mogelijkheid zijn voor herhaling en verbetering van fouten. Het voortdurend hameren op en schaven aan je zwakke punten kan menigeen ontmoedigen. Hier is een belangrijke taak weggelegd voor de trainer. Aan hem (of haar) de uitdaging om de prestatiemotivatie van zijn pupillen op peil te houden.

‘Oefenpotjes’ minder effectief

Tegenover deliberate practice staat wat Ericsson c.s. ‘playful interaction’ noemen, vrij vertaald ‘oefenpotjes’ in toernooivorm of onderling met leden van de eigen vereniging. Ericsson constateert dat met name amateursporters het grootste deel van hun trainingstijd daaraan besteden. Deze vorm van training sorteert beduidend minder effect. De Bruin noemt in haar rapport het voorbeeld van een tennisser die in een wedstrijd een backhand volley mist. De kans dat hij in diezelfde wedstrijd zo’n zelfde bal krijgt aangespeeld, is niet zo groot. In een gecontroleerde trainingsomgeving kan de tennisser die situatie tientallen, zo niet honderden keren oefenen en aldus werken aan zijn zwakke punten.

Deliberate practice voor schakers houdt vooral in het analyseren van eigen partijen en het bestuderen van andere partijen uit de schaakliteratuur. Dat klinkt de meesten heel wat minder aantrekkelijk in de oren dan een potje schaken op de club. Onderzoekster De Bruin bespeurt dat de doorzetters onder de schaaktalenten al vanaf het begin meer uren staken in het analyseren van partijen dan de uitvallers. “Daarna is het verschil alleen maar groter geworden. Ik ben benieuwd of je datzelfde patroon zou vinden als je prestatiemotivatie zou meten in de tijd. Ik vermoed van wel.”

Motivatie beïnvloedt prestaties

Het is het bekende kip- en eiverhaal. Wat was het eerste? Wordt de motivatie minder omdat de prestaties achterblijven of halen de uitvallers mindere resultaten omdat ze minder gemotiveerd zijn? De Bruin: “We zijn nog bezig om alle gegevens te analyseren om het kipen eiverhaal uit elkaar te trekken. Ik vermoed dat eerst de motivatie afneemt en dat daarna de prestaties minder worden. Want op het moment dat ze voor het eerst worden uitgenodigd voor de centrale trainingen zijn de prestaties tussen de groep die uiteindelijk afhaakt en de doorzetters nog vergelijkbaar. Het zou niet oninteressant zijn voor de KNSB om op zo’n moment te vragen hoeveel tijd ze aan schaken besteden. Alleen bestaat daarvoor nu nog geen standaard.”

Ook hoofd topsport van de KNSB Bosch is bekend met de theorieën van Ericsson: “De algemene norm is dat je tienduizend trainingsuren moet maken om het niveau van expert te halen. In het schaken heb je het dan over grootmeesters. Die norm gaat ook op voor fysieke sporten en muziek.” “Zo geldt ook voor schaken dat talent alleen niet genoeg is. Het onderzoek van de Erasmus Universiteit maakt gebruik van deze theorie. Extreem gezegd, gaat deze theorie ervan uit dat talent niet bestaat. Alles is met effectieve techniek aan te leren.”

Aanwaaien

Bosch: “Dat gaat mij persoonlijk nog iets te ver. Ik ken uit de praktijk een voorbeeld van een Europees jeugdkampioen die er jarenlang weinig voor heeft gedaan. Hij is inmiddels gestopt, omdat hij op een bepaald moment niet verder kwam. De factor talent bestaat terdege, als je Europees kampioen kunt worden bij de jeugd zonder hard te trainen.” Zou de schaakbond toentertijd voor de centrale trainingen mede hebben geselecteerd op het aantal trainingsuren dat talenten bereid zijn te maken, dan zou een Europese titel bij de jeugd in de kiem zijn gesmoord. En dat zou Bosch nu ook weer niet op zijn geweten willen hebben. Over Jeroen Piket, één van Nederlands topschakers, doen verhalen de ronde dat hij vroeger in de trein op weg naar de centrale trainingen het huiswerk overschreef van anderen. Bosch: “Het klassieke voorbeeld van iemand die het komt aanwaaien. Maar ik weet dat op een gegeven moment ook bij Piket een omslag is gekomen.”

Dat het niet alleen om het aantal trainingsuren gaat, maar zeker ook om de inhoud van de training, was allanger bekend bij de KNSB. Bosch: “Wij maken minder trainingsuren in vergelijking met Oost-Europa, maar de uren die we draaien, zijn kwalitatief-didactisch van een hoger niveau. Dat blijkt uit het feit dat we tot de beste West-Europese schaaklanden behoren en dat we de concurrentie aankunnen met het voormalige Oostblok.” De centrale trainingen bij de KNSB hebben zeker niet het karakter van een theekransje. Bosch: “Als je jong bent, train je vooral algemene vaardigheden en basistechnieken. Hoe verder je komt, hoe individueler de aanpak. Op een gegeven moment heb je de situatie van één op één: één trainer op één pupil. Ter vergelijking: aan de basis, op regiotrainingen, werkt een trainer met vijftien kinderen.”

Leerlingvolgsysteem

Bosch ziet in de bevindingen in het rapport ‘Opgeven of doorspelen’ ook een erkenning van het vak van trainer. “Toch fijn om bevestigd te zien dat training datgene is wat het onderscheid maakt. Dat is ook goed voor de positie van de trainer.” “Uit het onderzoek blijkt ook het belang van een goede sterkte/zwakteanalyse. Misschien moeten trainers daaraan nog wat meer doen. Vanuit de bond zijn we inmiddels bezig met het opzetten van een leerlingvolgsysteem via een internetsite.” De schaakbond was ook nieuwsgierig of er verschil bestaat tussen jongens en meisjes. Bosch: “Het idee bestond dat er onder meisjes meer uitval is dan onder jongens. Uit het onderzoek blijkt dat meisjes al vanaf heel jonge leeftijd minder aan schaken doen dan jongens.” “In het algemeen geldt ook dat vrouwen op seniorenniveau een minder hoog niveau halen in het schaken dan mannen. In de toptien van de wereld staat één vrouw. Na haar valt er een groot gat. De nummer twee staat ergens rond plaats honderd.” Bosch: “Eerder is vastgesteld dat meisjes en jongens bij het begin van hun carrière nog even sterk zijn. En waarom ook niet? Fysiek speelt geen rol. Wij zullen nu een manier moeten zien te vinden om meisjes meer te laten schaken. Misschien vereist dat wel andere trainingsvormen. Waarschijnlijk speelt een rol dat vrouwen breder geïnteresseerd zijn. Mannen hebben eerder een monomane passie. Schaken trekt traditioneel veel minder vrouwen dan mannen. Slechts vijf procent van onze leden is vrouw.”

Rol van ouders

Hoewel De Bruin geen voorbarige conclusies wilde trekken, ontstond bij haar tijdens het analyseren van de vragenlijsten en interviews toch het idee dat ouders meer betrokken zijn bij de schaaktraining van jongens dan die van meisjes. De Bruin pleit in ‘Opgeven of doorspelen’ sowieso voor een vervolgonderzoek onder ouders van schakers. Zij wil weten of doorzetters op een andere manier zijn benaderd door hun ouders dan uitvallers. “Ouders heb je gewoon nodig om de top te bereiken. Al is het maar om je naar de trainingen te brengen en weer op te halen.” Het is van belang dat ouders motiveren en stimuleren en op zijn tijd complimenten uitdelen. Het verhoogt de trainingsinzet van de kinderen. In een vervolgonderzoek zijn inmiddels de ouders van de proefpersonen uit ‘Opgeven of doorspelen’ geïnterviewd.

Dit artikel werd in december 2005 gepubliceerd in ‘Coachen’. 

In
Vond je het interessant? Tweet dit artikel of laat een bericht achter
Geef je reactie

Je emailadres. Velden met een * zijn verplicht

NLcoach CONGRESSEN

  • okt
    25
    Congres Kennis in Beweging (i.s.m. KVLO en Fontys Hogeschool)
  • nov
    2
    Trainercongres Wielrennen
  • nov
    9
    Congres i.s.m. Topsport Limburg in Sittard
alle congressen