“Wél winnen, hè!” Wég plezier
Jacques van Rossum, verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam, constateerde in 2005 dat het de meeste sporters niet in de eerste plaats gaat om winnen, maar om beter te worden. “Het sluit winnen niet uit; het is wel de beste weg náár de overwinning.”
De campagne Geef kinderen hun spel terug van Stichting Ideële Reclame legt de vinger op de overdreven bemoeizucht en het sturende gedrag van ouders langs de lijn. En dat dit ten koste gaat van het spelplezier van de kinderen. Jacques van Rossum haalt Anky van Grunsven erbij om zijn onderzoeksconclusies te onderbouwen. “Van Grunsven kreeg van haar begeleiders in Sydney te horen: ‘Ga nou lekker voor je gevoel rijden, probeer niemand te verslaan, want daar gaat het niet om. Het gaat erom dat je zelf een goede prestatie levert.’ De rest is geschiedenis.”
Van Rossum, ontwikkelingspsycholoog en bewegingswetenschapper, is onder meer verbonden aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, de dansopleiding aan de Jodenbreestraat. Hij constateert dat het dansen van kinderen meestal begint met een solodroom. “Vaak al op vier- of vijfjarige leeftijd wanneer een kind bijvoorbeeld een balletposter ziet en droomt: dat wil ik ook. De ouders denken dan nog: het gaat wel over. Niet dus.”
Groei moet vooropstaan
Hoe een talent zich ontwikkelt tot volwassen (top) sporter heeft al sinds begin jaren tachtig de interesse van de Amsterdammer. Hij onderzoekt hoe dat proces van talentontwikkeling verloopt en of dat proces effectief is. Het oude traject, zo stelt Van Rossum, is dat van de generaal die voor de groep staat en de waarheid in pacht heeft. “Een ongelooflijk autoritaire meester-leerling verhouding. De trainer/coach vertelt hoe het moet en breekt de jonge sporter eerst helemaal af voordat hij eraan gaat bouwen.” Het mag duidelijk zijn dat zo’n proces, dat overigens minder en minder voorkomt, killing is voor het plezier van de jeugdige sporter en een enorme uitval veroorzaakt.
Een trainer/coach die het talent de ruimte biedt, staat daar lijnrecht tegenover. “Het begint met een veilige omgeving, waarbinnen de jeugd op zoek gaat naar grenzen. Experimenteren en exploreren is snel afgelopen als dat elke keer wordt afgekapt. Zelfs de grootste talenten sterven zo een zachte dood. Een omgeving waarbij groei vooropstaat, is een omgeving waar die jeugd wordt uitgedaagd. Daaruit komt het plezier voort.” De moderne trainer/coach is dus iemand die zijn sporters in staat stelt optimaal te renderen.
Multi Skills-benadering
Jonge sporters hoeven in die benadering niet zozeer te worden gemotiveerd. “Die weten wel waarmee ze bezig zijn. Alleen moeten ze wel uitdaging blijven vinden in de dingen die door de trainer/coach worden aangeboden.” Als voorbeeld noemt Van Rossum handbalvereniging Fiqas Aalsmeer waar tien- tot twaalfjarigen zesmaal per week trainen. “In september 2007 is men daar begonnen met een positieve manier van coachen. Daarbij draait het niet in de eerste om het resultaat, maar om de persoonlijke ontwikkeling van de spelers. Plezier en zelfvertrouwen staan centraal.”
Van Rossum doelt op de zogenoemde Multi Skills-benadering die Aalsmeer heeft omarmd. De jongens beoefenen naast het handbal allerlei takken van sport: tafeltennis om het voetenwerk te verbeteren; zwemmen voor meer armkracht. “Leuke training dus met een transfer naar het handbal. De lol wordt zo op een ander niveau gelegd. Die jongens vinden het allemaal leuk om te doen. Zeggen tegen de ouders: dat wil ik. Die energie moet je vervolgens onderhouden, zodat de fakkel blijft branden. Dat vraagt veel van een trainer/coach.”
Het is een manier van denken die het rendement op een andere plek legt. Van Rossum: “Er is bijvoorbeeld veel minder drop-out. Kinderen winnen niet vaker, ze verliezen niet vaker, maar ze hebben er wel meer plezier in. Dat betekent ook dat er meer doorgaan in die tak van sport. En wil je sporters beter maken, dan moeten ze wel blijven hangen.”
Fixed en growth mindset
Op de vraag waar het omslagpunt ligt bij sportende kinderen, wanneer het nog plezierig is en wanneer het puur presteren wordt, antwoordt Van Rossum: “Hoezo omslagpunt? Plezier hangt af van de mindset (i.e. de manier van denken) van het sportende kind.” Hij legt het boek Mindset van Carol S. Dweck op tafel en vertelt: “Dweck maakt het verschil tussen een fixed en een growth mindset. Die eersten zijn degenen die met zo weinig mogelijk inspanning optimaal proberen te presteren. Die zijn goed als iets lukt. Mislukt het daarentegen, dan kan het volgens die groep alleen liggen aan hun vaardigheid. Mensen met een groei mindset denken altijd in termen van het proces: ik doe mijn uiterste best, meer kan ik niet doen.”
John McEnroe geldt volgens Dweck als een van dé voorbeelden van een fixed mindset. Van Rossum: “De lol die hij uit het tennissen heeft gehaald, is vanuit een beperkt perspectief. Altijd maar bezig met winnen, nooit met waar dat aan kan liggen. Alleen maar: ik kan het, ik win, of ik kan het niet, ik verlies. Ik denk dat de lol die je hebt in een groei mindset aantrekkelijker is, omdat je veel genuanceerder met anderen in je omgeving bezig bent geweest om je optimaal op je sportprestatie voor te bereiden. En dááruit de lol te halen. Er zit dus een ander soort gedachte achter. En soms is er dan ineens de trainer/ coach, of een van de ouders, die het kind terugzetten in de fixed mindset doordat ze in het voorbijgaan zeggen: “Wel winnen, hè!” Wég plezier.
Dit artikel werd gepubliceerd in ‘NLCOACH’ nummer 2-2008.
