Sporten zit in de genen
Sommige mensen voelen zich pas lekker als ze een paar uur intensief hebben gesport, anderen genieten het meest als couch potato, lekker onderuitgezakt voor de televisie. Worden deze verschillen bepaald door hun omgeving, bijvoorbeeld sportgedrag van de partner, door werk, school of opvoeding? Of is er verschil in erfelijke aanleg? Die vragen vormden de kern van het proefschrift ‘The genetics of exercise behavior and psychological well-being’ van dr. Janine Stubbe. Zij deed in 2006 haar promotieonderzoek aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, afdeling Biologische Psychologie.
Voor een goed begrip is het eerst zaak om duidelijk voor ogen te hebben wat onderzoekster Stubbe onder sportgedrag verstaat. “Het criterium was minimaal zestig minuten per week sporten met een redelijke intensiteit. Rustig hardlopen hebben we ook als sportgedrag gekwalificeerd”, legt Janine Stubbe uit. “Voor ons onderzoek was het van belang dat er bepaalde stoffen vrijkomen bij het sporten. Alle sporten waarbij je niet zweet, hebben we eruit gefilterd.” Schakers, darters, biljarters, bowlers en sportvissers zijn dus niet gerangschikt als sporters. Niettemin moet sportgedrag in Stubbes onderzoek ruim worden gezien. “Er zitten topsporters bij, maar ook mensen die een keer per week met vrienden een partijtje voetballen.”
Stubbe wilde niet alleen nagaan of sportgedrag erfelijk is, maar ook of er een relatie bestaat tussen sportgedrag en psychologisch welbevinden. En zo ja, hoe die relatie dan tot stand komt. “Over de invloed van sporten op het lichamelijk welbevinden is heel veel bekend. De bloeddruk wordt lager, het cholesterolgehalte neemt af, evenals het gewicht.” Stubbe was meer geïnteresseerd in de psychologische effecten van sporten.
Maar het is toch al langer bekend dat geestelijke en lichamelijke gezondheid samengaan: het aloude adagium een gezonde geest in een gezond lichaam? Stubbe: “Daarover zijn de meningen verdeeld. Er zijn genoeg mensen die lichamelijk iets mankeren, maar toch heel gelukkig zijn. Er zijn voorbeelden van mensen die verlamd zijn geraakt, bijvoorbeeld na een auto-ongeluk, en die op hun oude geluksniveau terugkeren na zes maanden tot een jaar, afhankelijk van het revalidatieproces. Kennelijk bestaat er zoiets als een ‘basisgeluksniveau’. Omgekeerd komt ook voor. Winnaars van de staatsloterij leven drie maanden op een roze wolk, maar daarna komen ze tot de ontdekking dat het nog steeds regent in Nederland.”
Tweelingonderzoek
De relatie tussen sportgedrag en welbevinden is al wel eerder onderzocht, maar dan op negatieve aspecten. “Bij mensen die depressief zijn. Laat hen hardlopen in groepjes en kijk hoe de staat van geluk is vóór en na het hardlopen. Je krijgt bij mensen die al psychische problemen hebben natuurlijk andere resultaten dan bij mensen die normaal in de maatschappij staan.”
Stubbe had geen DNA-onderzoek nodig om de erfelijkheid van sportgedrag te bepalen. Zij heeft dat gedaan aan de hand van vragenlijsten die ze voorlegde aan tweelingen en hun familie, die geregistreerd zijn bij het Nederlands Tweeling Register. Ruim tien jaar geleden zijn deze tweelingfamilies voor het eerst benaderd om mee te doen aan een grootschalig familieonderzoek naar gezondheid en leefgewoonten. Om de twee jaar kregen zij vragenlijsten toegestuurd over onder meer rookgedrag, alcoholgebruik, sport en lichamelijke activiteit. Tweelingfamilies vormen voor de wetenschap een unieke groep, want met hun hulp kan onderzocht worden in welke mate een bepaalde eigenschap erfelijk is. Eeneiige tweelingen zijn genetisch honderd procent identiek. Twee-eiige tweelingen delen gemiddeld de helft van hun erfelijk materiaal.
Een direct verband tussen sport en psychologisch welbevinden leverde het tweelingonderzoek niet op, aldus Stubbe. “Het is niet zo dat je gelukkiger wordt van een bezoek aan de sportschool. Wel blijkt dat mensen met sportieve genen sowieso al eerder gelukkig zijn. Die mensen hebben dus eigenlijk dubbel geluk in het leven.” Stubbe stelde vast dat er een grote overlap is tussen genen die individuele verschillen in sportgedrag en genen die verschillen in positief welbevinden verklaren. Sporters hebben genetisch gezien dus een grotere kans om gelukkig te zijn.
Korte piek
De term sportieve genen is gevallen. Wetenschappers hebben aangetoond dat er populair gezegd onderscheid gemaakt kan worden tussen sportieve en luie genen. Wat niet wil zeggen dat sportstimulering geen zin heeft, omdat mensen van nature lui of sportief zouden zijn. Want het onderzoek van Janine Stubbe heeft aangetoond dat tot en met het zestiende levensjaar genen geen rol spelen in individuele verschillen in sportgedrag. In die periode zijn juist invloeden van buitenaf (zoals opvoeding, sociaaleconomische status, school) heel belangrijk. “Ieder kind kun je dus stimuleren om aan sport te doen. Mijn onderzoeksresultaten zijn uiterst interessant voor scholen, zeker gezien de discussie over al dan niet geven van gymnastiek en de ontwikkeling dat kinderen steeds dikker worden. Bekend is dat mensen op langere termijn er heel veel profijt van hebben als ze op jonge leeftijd regelmatig hebben gesport.” Tot je zestiende bepalen dus omgevingsfactoren het sportgedrag. Een factor is natuurlijk ook of er dichtbij huis een goede sportfaciliteit aanwezig is. “We hebben nog niet in kaart kunnen brengen welke omgevingsfactor het belangrijkst is. Duidelijk is wel dat sportstimulering een positief resultaat heeft.”
Vanaf 17, 18 jaar gaan genen voor het eerst een rol spelen als het gaat om sportgedrag. De rol van de omgeving neemt dan af. In de leeftijd van 19-20 jaar worden de verschillen in sportgedrag voor meer dan tachtig procent bepaald door de genen. Daarna neemt de invloed van de genen weer af. Een korte piek dus. Stubbe: “We hadden helaas te weinig data om vast te stellen in welke mate de invloed van genen afneemt na die piek op de leeftijd van 19-20 jaar. We hebben noodgedwongen gekeken naar de groep van 21 tot 40 jaar. Over zo’n lange periode krijg je al gauw een gemiddelde.”
Na het 21ste levensjaar bepalen dus weer andere factoren of je aan sport doet. Stubbe noemt kinderen, een partner, ziekte of een zieke partner. “Opvoedingsfactoren keren dan in elk geval niet meer terug.” Hoewel aan het onderzoek alleen tweelingen hebben meegewerkt, gelden de conclusies volgens Stubbe ook voor “gewone” broers en zussen. “Net als twee-eiige tweelingen delen broers en zussen gemiddeld de helft van het erfelijk materiaal. En ze worden in dezelfde omgeving opgevoed.”
Stubbe, inmiddels werkzaam als onderzoeker bij het NIVEL in Utrecht, heeft geen onderscheid kunnen maken tussen recreatiesporters en topsporters. “Bij erfelijkheid in topsport denk je aan spierkracht en uithoudingsvermogen. Op basis van mijn onderzoek kan ik daar geen uitspraken over doen. Mijn studie gaat over algemeen sportgedrag. De subsidiegevers waren meer geïnteresseerd in gegevens over de algemene populatie. Per slot van rekening kost gezondheidszorg veel geld. Vanuit wetenschappelijke belangstelling had ik heel graag een soortgelijk onderzoek onder topsporters gedaan.”
Dit artikel werd in december 2006 gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.
