Laat het kind het kind
De coach die z’n talenten goed wil begeleiden, moet veel meer weten dan alleen hun kalenderleeftijd. De ontwikkeling van kinderen kent grote individuele verschillen, die grote invloed – moeten – hebben op het trainingsprogramma. Die gedachte vormt de basis voor ‘Long Term Athlete Development’ (LTAD), het model van de Canadese bewegingswetenschapper Istvan Balyi.
Balyi grijpt graag terug op een oud, maar veelbetekenend gezegde: “Als je Johnny Latijn wilt leren, moet je niet alleen het Latijn beheersen, maar ook Johnny goed leren kennen. Maar ik merk steeds dat veel coaches niet echt weten wie Johnny is en dus ook niet weten hoe het trainings- en herstelprogramma is aan te passen aan zijn biologische ontwikkelingsfase. Dat geldt overigens niet alleen voor toptalenten. Voor meer recreatief ingestelde jonge sporters is het net zo belangrijk om een effectief trainingsprogramma op te stellen. Gezondheid en medailles zijn daarvan slechts de bijproducten.”
Balyi waarschuwt herhaaldelijk dat voor coaches de kalenderleeftijd weinig aanknopingspunten biedt. “Binnen een trainingsgroep van kinderen met hetzelfde geboortejaar heb je al grote verschillen tussen degenen die in januari en in december zijn geboren. Uit onderzoek is gebleken dat kinderen die bij het begin van de competitie relatief de jongste zijn, veel minder kansen krijgen om uit te groeien tot goede sporters dan de ouderen in zo’n jaargroep. Die zijn vaak groter en sterker, worden vaker opgesteld en krijgen daardoor meer plezier in hun sport”, aldus de bewegingswetenschapper.
“Lastiger is het om de biologische leeftijd van een kind te bepalen. En om ook nog rekening te houden met de trainingsleeftijd: hoeveel jaar traint hij of zij al en hoelang al binnen deze specifieke tak van sport? Toch dient die informatie veel invloed te hebben op het programma.”
In de visie van Balyi speelt de groei naar volwassenheid een belangrijke rol. Hij kijkt daarbij naar de totale lichamelijke ontwikkeling in de puberteit (met uiterlijke verschijnselen als borstgroei, schaamhaar, maar ook naar de emotionele ontwikkeling) en niet alleen naar de lichaamslengte. “Daarin zijn grote onderlinge en hormonaal bepaalde verschillen. Zorg ervoor dat je traint wat op dat moment trainbaar is, want je kunt kinderen op jonge leeftijd maken of breken. Vaak is fysieke schade die je op jonge leeftijd oploopt later niet meer te herstellen.”
De groeispurt is binnen de LTAD een belangrijk gegeven. Vormen van duurtraining plaatst Balyi vóór de top in de groeispurt, krachttraining mag pas beginnen als deze spurt afneemt. Met trainen van lenigheid is het gedurende de hele groeispurt oppassen. Volgens Balyi wijst een snelle groeispurt in het algemeen op geschiktheid voor krachtsporten, terwijl kinderen die zich wat langzamer ontwikkelen meer aanleg hebben voor duursporten.
Brede basis
Specialiseren is volgens Balyi pas wenselijk vanaf een jaar of 12. Hij erkent dat in sommige sporten, zoals gymnastiek en kunstrijden, kinderen al op jongere leeftijd móeten kiezen. Maar ook dan moet de aanpak zo generiek mogelijk blijven. “Want wat moeten we met een turnster die nooit goed heeft leren lopen? Bij ons in Canada zijn sportzomerkampen heel populair. Daar maken kinderen kennis met allerlei teamsporten. En uit onderzoek blijkt dat veel topsporters pas vanaf hun 15e de sport kiezen waar ze in gaan uitblinken. Een brede basis hoeft dus geen enkel probleem te zijn. Terwijl daarentegen veel kinderen die vroeg specialiseren, op relatief jonge leeftijd al weer afhaken.”
“Behandel jongeren niet als minivolwassenen en hou rekening met hun eigen fysieke en mentale behoeften”, zegt Balyi. “In veel sporten neemt het wedstrijdprogramma een veel te grote plaats in en blijft er te weinig tijd over om goed te trainen. Zo’n competitieprogramma maakt van het trainingsplan vaak een chaos. Terwijl het – zeker tot hun 15e of 16e jaar – toch vooral de bedoeling is dat we talenten helpen in hun ontwikkeling. Het proces moet belangrijker zijn dan het resultaat op korte termijn. Werk dus op basis van een jaarplan en zorg dat je een reserveplan beschikbaar hebt als er, bijvoorbeeld door blessures, iets mis gaat.”
Balyi beseft dat niet alleen de trainers invloed hebben op de verhouding tussen trainen en wedstrijden. Ook ouders en sportbestuurders hebben hun verwachtingen. Ze willen prestaties zien. “Je moet hen dus betrekken bij de discussie over dit thema”, aldus de wetenschapper. Hij wraakt onder meer het ranking-systeem in het tennis, waardoor ook jonge spelers en speelsters gedwongen zijn veel te spelen om hun positie op de ranglijst niet te verliezen. “Terwijl bijvoorbeeld Federer tot op zijn zestiende geen ster was.”
Een ander voorbeeld van het klakkeloos overnemen van ‘volwassen’ elementen voor jongeren is de periodisering. “Te vaak gebruiken coaches de standaard van zes dagen training en één rustdag. Terwijl gebleken is dat bij jonge sporters een schema als 5-1-4-1-3-1 gunstig uitwerkt en bij krachttraining 3-1-2-1.”
Bezinning is ook nodig op de vraag wat de coaches, bonden en verenigingen doen met de afvallers. “Uit allerlei onderzoek blijkt dat het zo’n tien jaar duurt voor een talent de top heeft bereikt en dat hij of zij daarin 10.000 uur heeft getraind. Dat wil zeggen: gemiddeld drie uur per dag. Zo’n tien procent van de sporters die we als potentieel talent kunnen aanmerken, kan dat opbrengen. Maar wat doen we met die andere negentig procent, hoe zorgen we ervoor dat ook zij plezier houden in sport?”
Dit is een aangepaste versie van een artikel dat in juni 2007 werd gepubliceerd in ‘Coachen’.
