Niet meer trainen, maar anders
Een voetbalcoach die gaat turnen en een cirkelloper opstelt, wielrenners aan de yoga, Ajax-voetballertjes op judoles, Raymond van Barneveld die mediteert. In een wereld waar elke millimeter of honderdste van een seconde het verschil kan maken tussen top of flop shoppen sporters steeds vaker buiten hun eigen winkel. Voetbaltrainer Foppe de Haan: “Misschien moeten we daar in Nederland mee beginnen: topsporters een week lang bij elkaar zetten om samen te trainen en te praten. Ze kunnen zoveel van elkaar leren.”
KNVB-coach Foppe de Haan heeft altijd een open oog gehouden voor ontwikkelingen in andere sporten. “Al in 1994 fascineerde me het verhaal over de Noorse olympische ploeg, die in de aanloop naar de Spelen in Lillehammer een periode lang met alle disciplines samen trainden. Johan Olav Koss vertelde later dat hij daar enorm van geleerd had, vooral op mentaal vlak. De langlaufers konden bijvoorbeeld veel meer afzien dan hij.”
De Haan probeerde in de zomer van 2006 met zijn Jong Oranje te leren van andere sporters. “We zaten voor het EK wekenlang in een trainingskamp en dan wil je de jongens wel eens wat ánders laten doen. We zijn naar de turnhal geweest. Ten eerste om ze te laten kennis maken met een andere discipline, maar ook om ze meer bewust te maken van hun eigen lichaam.”
De Haan vertelt over de tumbling-vloer in de Heerenveense turnhal. “Die veert enorm. Daar kun je niet zomaar overheen lopen zonder spanning op de beenspieren te hebben.” Volgens ex-CIOS-docent De Haan was alleen al het lopen over die mat louterend. “Voetballers gebruiken die spanning met hun typische voetballoop te weinig. Het lopen kost relatief veel energie, omdat ze hun buikspieren en lage rugspieren te weinig gebruiken. Door gerichte oefeningen zouden ze hun rompstabiliteit en de vormspanning kunnen verbeteren. Dat is nodig bij het aangaan van een duel, bij het afzetten of bij de aanzet tot een sprintje. Veel van onze voetballers staan te ver in hun knieën, waardoor ze veelal te laat zijn, terwijl het me opvalt dat buitenlandse teams, vooral de Zuid-Europeanen, daar van nature minder moeite mee hebben.”
Bij de Duitse voetbalclub VfB Stuttgart maakten ze de looptraining in 2006 tot een speerpunt. De voetbalprofs kregen het vorig seizoen looptraining van Günter Kern, die een speciale voetballooptraining ontwierp. Dat VfB Stuttgart direct de Duitse titel veroverde is het gevolg van vele factoren, beaamt Kern onmiddellijk. “Maar onze voetballers zijn in de eerste tien meter 0.10 tot 0.14 seconde sneller geworden. Daarmee wonnen ze in de wedstrijd zestig centimeter. Die kunnen beslissend zijn.”
De Duitse looptrainer benadrukte dat de ‘normale’ sprinttraining, overgenomen uit de atletiekwereld, de voetballers te weinig vooruitgang bracht. “De focus bij een sprint in het voetbal ligt bij de eerste tien tot vijftien meter”, legde Kern uit aan Der Spiegel. “Atleten hoeven geen scherpe bochten te maken, ze hoeven ook niet af te remmen en direct daarna opnieuw aan te zetten. Verder hebben we ook specifiek gekeken naar de posities in het veld. Het blijkt dat een vleugelverdediger langere sprints moet trekken dan iemand die centraal op het middenveld speelt. Daar hebben we in onze training rekening mee gehouden.”
Kern verklapte in Der Spiegel een deel van zijn geheim. “We hebben geoefend op “grondcontact”. Die moest verminderd worden. Verder werd de pasfrequentie verhoogd en de paslengte geoptimaliseerd. Met andere woorden: een andere afzet, snellere pasjes en per persoon kijken naar de optimale paslengte. Daarvoor hebben we alle data in een programma ingevoerd. Uiteindelijk kwam daar dan voor iedereen een specifiek oefenprogramma uit voort.”
Zenmeester
Specialisatie is dus het toverwoord voor de professionele sport. Wie in zijn sport moet springen, die gaat op zoek naar iemand die gespecialiseerd is in springen. De Haan: “Het is niet de reden geweest dat we Europees kampioen werden met Jong Oranje, maar ik heb die jongens wel laten zien hoeveel makkelijker ze balans kunnen houden als ze de spieren gebruiken van het trampoline springen.”
In de zogenaamde mindgames – golf en darten – ligt de hulp van mental trainers voor de hand. Darter Raymond van Barneveld zag dat er in nóg meer trainingsuren geen vooruitgang zat en ook op het gebied van mental coaching leek er weinig rek meer in te zitten. Van Barneveld ging op meditatieles en kwam er gelouterd uit. De darter leek zich beter te kunnen afsluiten voor de rumoerige wereld van een dartzaal. “Ik werd er rustiger van. Niet alleen bij het darten, maar ook thuis, met de kinderen.”
Zenmeester Rients Ritskes was niet verbaasd dat de oefeningen zo’n uitwerking hadden op Van Barneveld. “Hij moest leren om rustiger te gooien. Hij richtte zijn pijl al op het hoofd van de tegenstander, terwijl die nog zijn darts uit het bord haalde. In principe snapt een topsporter, of een topper uit het bedrijfsleven al heel goed waar het bij Zen-meditatie om gaat. Het focussen, de concentratie op één ding, dat doen ze al. Maar dan is het dus zaak om de mentale toestand tijdens een wedstrijd wat beter in de hand te hebben. Het gaat om beheersing. Dat is niet alleen goed voor darters en golfers. Ik zou een voetbalelftal ook heel goed kunnen helpen.”
Hoewel Ritskes zelf niet zoveel op heeft met voetbal, droomt hij er toch van om een voetbalteam in lotushouding tegenover zich te krijgen. Lachend: “Het toppunt van Zen is ego-loosheid, maar kennelijk ben ik nog niet zover. Ik kick erop om mediteren populair te maken, het is leuk om te scoren. En ik weet zeker dat ik met een voetbalteam zou scoren.”
De voetballers zullen net als Raymond van Barneveld leren om hun irritatie en hun stress te beheersen. “Ik beloof geen verbetering over een half jaar”, stelt Ritskes. “Het gaat vrijwel direct werken. Want spelers die leren om hun irritatie te beteugelen, kunnen zich daardoor beter concentreren op hun taak. Een voetbalonderdeel waarbij het zeker zou werken is volgens Ritskes het penaltyschieten. “Daar gaat het om zelfbeheersing. Hoe hou je de paniek en de stress buiten de deur?”
Ook Foppe de Haan gelooft dat penalty’s ‘trainbaar’ zijn. En in andere bewoordingen herhaalt hij de woorden van Ritskes: “Ik vond het altijd onzin, dat diverse voetbaltrainers volhielden dat je er niet op kunt trainen. Ik heb een studie gelezen waarin alle belangrijke strafschoppenseries sinds 1972 geanalyseerd zijn. De doelpuntenmakers bleken volgens een vast patroon en met de juist opgebouwde concentratie te werken. Jezelf van de wereld afsluiten en duidelijk vaststellen: die hoek, zo hoog, en ook een vaste aanloop aanleren. De besten bleken achteruit te lopen, waarbij ze oogcontact hielden met de keeper om hem te overtuigen van de eigen zelfverzekerdheid. Goeie kans dat de doelman onrustig wordt. Dan even een tel rust nemen om te focussen. De aanloop neem je vervolgens als een hoogspringer met een uitgeteld aantal stappen, terwijl je de goal in het oog houdt. Zoiets kun je wel degelijk oefenen.”
Na afloop van de trainingen van Jong Oranje nam iedere speler één strafschop, waarbij hij vooraf de hoek moest aangeven. De Haan: “Zo hebben ze geleerd om goed te kijken, te concentreren en met de spanning om te gaan. In de halve finale tegen Engeland gaf dat de doorslag. We wonnen de serie met 13-12.”
De meditatiecursus van zenmeester Ritskes bestaat uit zeventig procent theorie over concentratie. Ritskes: “De overige dertig procent is het daadwerkelijke mediteren. Ze leren een techniek om hun concentratievermogen te vergroten. Anders gezegd: om niet afhankelijk te zijn van de vorm van de dag.”
Ook bij yogalerares Jozijn Hogendoorn vormt bewustwording een belangrijk onderdeel van haar vakgebied. Hogendoorn werd de afgelopen jaren van fanatiek yogabeoefenaar yogalerares. En daarnaast deed ze even hartstochtelijk aan wielrennen. Geen wonder dus dat haar afstudeerscriptie over yoga en wielrennen gaat en dat ze haar visitekaartje inmiddels bij RABO-ploegleider Erik Dekker in de hand drukte. “‘Lichaam, adem en bewustzijn’ zijn de drie pijlers van yoga”, schrijft ze in haar proefschrift. Daar wordt onderzocht of de bewegingsvormen yoga en wielrennen elkaar aanvullen, of dat ze elkaar in de weg zitten.”
Het is een logisch verhaal dat Hogendoorn heeft geschreven, maar ook een verhaal dat nader onderzocht moet worden. Anders gezegd, is een wielrenner of ploegleider bereid om in het verhaal mee te gaan en een aantal keren per week yogaoefeningen te gaan doen?
Wielrenners zouden volgens Hogendoorn baat hebben bij yoga. “Ten eerste wordt het lichaam soepeler en kan er een houding worden gevonden waarin comfort en gemak centraal staan. Het is niet nodig om te zeggen dat dit minder blessures en ook minder vermoeidheid oplevert.”
Ten tweede verbeteren de sporters door yoga hun ademhaling. Hogendoorn citeert schaatscoach Jac Orie, die kansen ziet om op het gebied van de ademhaling nog winst te boeken. “Van ervaren bergbeklimmers weten we dat de ademhaling is aangepast aan het loopritme. Bij schaatsers is dat idem dito. Het blijkt dat die afstemming van ademhaling en afzet precies goed is als mensen in topvorm zijn.” Waarmee Orie en Hogendoorn maar aan willen geven dat je het misschien ook om kunt draaien, een topsporter die ademt zoals het hoort en daardoor in topvorm komt.
Als lichaam en ademhaling in balans zijn, blijft ‘het bewustzijn’ over als aandachtspunt. “Een wielrenner moet vooral willen winnen, en dat moet ook zo blijven”, bezweert Hogendoorn, die ervoor waakt om gezien te worden als iemand die het resultaat niet belangrijk vindt. “Maar teveel focussen op resultaat kan tot gevolg hebben dat je te hard traint, te weinig rust neemt of je een blessure niet de kans geeft om te herstellen. Op zijn best moet de aandacht van de wielrenner bij zijn lichaam, bij zijn ademhaling, bij het wielrennen an sich zitten.”
Neurologie
Zoeken sommige sporters de verbetering in hun geest, anderen denken dat het simpelweg vergroten van kracht hun prestaties zal bevorderen. Een denkwijze die krachtsporttrainer Robbert Wolters telkens weer ineen doet krimpen. “Dan zie ik een sportploeg het krachthonk in verdwijnen. Met op een A-viertje de oefeningen die ze af dienen te werken. Stel je voor dat Marco van Basten voorafgaand aan de training van Oranje een stenciltje uitdeelt met oefeningen en dat hij dan in de kantine gaat zitten koffiedrinken tot iedereen klaar is… Krachttraining is helaas nog altijd een stiefkindje.”
Wolters richtte in 2003 namens de krachtsportfederatie (de KNKF) een kenniscentrum op. “Daarin verzamelen we zoveel mogelijk specifieke kennis per sport. We hebben bijvoorbeeld een handbalcoach gehad die weten wilde welke krachttraining het best was voor zijn team. Het bleek dat alle gerenommeerde tegenstanders gemiddeld tien kilo zwaarder waren. Hij kreeg van ons trainingen mee die de spiermassa deed toenemen. Maar voor een judoka kan zo’n training helemaal verkeerd uitpakken, die mag juist niet zwaarder worden.”
Wolters moet nog dagelijks afrekenen met de vooroordelen jegens krachttraining. “Bijvoorbeeld dat je er minder snel door wordt. Of dat het heel veel tijd kost. Vaak is een kwartier tot twintig minuten per dag al voldoende. Het gaat soms ook eerder om neurologie, om de verbetering van de spieraansturing door de hersenen.” Hoofdschuddend ziet Wolters hoe er vooral in de voetbalwereld wordt omgegaan met krachttraining. “Zie ik ze hardlopen met een verzwaard vest of in de weer zijn met een medicijnbal. Dat heeft niets met kracht te maken, alleen met conditie. Of ze trainen alleen het bovenlichaam. Mark van Bommel zei ooit dat krachttraining voor hem puur cosmetisch was. En ik denk dat dat voor veel voetballers geldt: ze willen er gespierd uitzien.”
Wolters ziet het niet snel veranderen: “De Nederlandse voetbalwereld is erg conservatief en dat is jammer. Als ik zie hoeveel spelers de laatste jaren aan hun hamstrings geblesseerd raken… Dat ongemak kun je door gerichte training zeer goed voorkomen. De enige voetbalcoach die ooit blijk van interesse gaf was Foppe de Haan, die kwam kijken toen de schaatsers van TVM onder deskundige leiding hun krachttraining deden.”
Multi Skills Programma
De Haan heeft zijn hele trainersleven gekeken naar andere sporten. “Het drukzetten, de pressing van het Ajax van Rinus Michels. Die had hij uit het basketbal overgenomen.
Jaren later ging ik een keer kijken bij basketbalcoach Ton Boot om te kijken hoe hij de pressing trainde. Van hem heb ik ook geleerd om de fundamentele spelsituaties te blijven herhalen. Duizend keer passen, een lay-up maken of een blok zetten. De simpele acties perfect onder de knie krijgen, waardoor het automatismen zijn. In een voetbaltraining bestaat de neiging om eindeloos te variëren. Iedere keer weer een andere spelvorm. Dat is leuk, maar ik heb liever dat mijn spelers onder spanning vast zijn en direct weten wat ze moeten doen. Dat leren ze door te oefenen.”
Voor het EK met Jong Oranje bedacht De Haan dat hij een zeer specifieke aanvalstactiek nodig had. “Ik wilde als diepste spits een cirkelloper zoals bij het handbal. Hij moest zo ver mogelijk naar voren lopen, op de rand van buitenspel om zo het veld groot te maken. Als hij in die positie de bal kreeg, moest hij hem vasthouden totdat de rest van de ploeg kon aansluiten. Om aanspeelbaar te zijn moest hij bepaalde loopacties maken of een andere keer een blok zetten. Daarvoor was Maceo Rigters de beste keus. Bij zijn club speelde hij in een andere rol, waardoor hij nauwelijks opviel, maar ik wist uit ons gezamenlijk verleden bij Heerenveen dat hij geschikt was voor deze positie. Als ik tijd gehad had, had ik hem meegenomen naar een handbalwedstrijd zodat hij zelf kon zien hoe de cirkelloper functioneert.”
De Haan trainde verder op ‘dode spelsituaties’, omdat daar naar zijn mening nog heel veel winst te boeken valt. “We hebben op hoekschoppen getraind, zoals een volleybalteam de aanvallen instudeert. In het volleybal zie je een spelverdeler aangeven wat een team in een bepaalde situatie moet doen. Dat zou met een corner ook kunnen.”
Aan een aanvallende corner kwam De Haan nog niet toe, maar verdedigend klopten de posities. “De tegenstanders hebben daardoor dit jaar tegen ons uit stilstaande situaties zelfs geen kans gecreëerd”, glundert hij. “Mijn dochter kent bij korfbal een aantal variaties op vrije worpen en die maakt ze vrijwel altijd. Gewoon door eindeloos te oefenen. Het scheelt ook wel dat voetballers minder cognitief zijn en eerder vanuit hun gevoel spelen. Wil je vaste patronen in het team slijpen, dan moet je als voetbaltrainer behoorlijk aan de bak.”
Turnen, handbal- en volleybaltactieken, Foppe de Haan is nergens vies van. “Je moet over je eigen grenzen heen kijken. Bedenk ook dat de huidige generatie topsporters een algemene lichaamsontwikkeling mis is gelopen. Daarom is men bijvoorbeeld bij Ajax met het Multi Skills Programma gestart. De trainers stuitten bij techniekoefeningen op grenzen door het gemis van bepaalde basisvoorwaarden om een volgende stap te maken.”
Ajax’ conditietrainer René Wormhoudt ontwikkelde het Multi Skills Programma. “Vroeger dachten we: hoe meer je voetbalt, hoe beter je wordt”, legde Wormhoudt uit in de NRC. “Maar dat geldt alleen op korte termijn. Pas later blijken de fysieke tekortkomingen, die acteren op het hoogste niveau beperken en die op latere leeftijd ook niet meer effectief trainbaar zijn. Bijvoorbeeld in de loopeconomie. Als je niet efficiënt beweegt, kun je aan het einde van de wedstrijd te kort komen ten opzichte van je tegenstander. Handelingssnelheid, allerlei soorten duels, vallen, opstaan en het voortzetten van de actie zijn voorbeelden waaruit blijkt dat een voetballer motorisch veelzijdig ontwikkeld moet zijn. Daarnaast is aanpassingsvermogen belangrijk. Hoe ga je om met een slecht veld, een grotere tegenstander, wisselende omstandigheden.”
Spelers tot veertien jaar krijgen bij Ajax tegenwoordig ook judo en gym. Hiervoor zijn speciale docenten aangenomen met pedagogische kwaliteiten. Dat klinkt Foppe de Haan als muziek in de oren. “Ik pleit al jaren voor dagelijkse gymnastiekuren op school. En dan geen spelletjes of partijtje, maar echt leren om met ringen te zwaaien, een koprol te maken of over een kast te springen. Bij voorkeur door een gediplomeerde gymleraar.”
Tot slot, andere sporters kunnen óók van voetballers leren, zegt De Haan. “Vooral het samenwerken in een team. Voetbal kent zoveel factoren zoals het grote veld, de scheidsrechter, de techniek, de tactiek, de weersomstandigheden en de elf tegenstanders, wat het erg complex maakt. Vergelijk je het met de zaalsporten, dan zijn die veel overzichtelijker. Handbal kent bijvoorbeeld een veel beperkter aanvalsopbouw. Voetbal heeft veel meer keuzes. Het Nederlands voetbal is uniek in de verzorgde opbouw van achteruit. Een spits moet tegenwoordig meeverdedigen en een verdediger moet kunnen aanvallen. Dat maakt de voetballer veel multifunctioneler dan andere sporters. Ook zijn de kwaliteiten van individuele spelers veel gevarieerder. Voor een voetbalcoach is de opstelling echt een puzzel, waarbij je moet proberen om de individuele stukjes zo in elkaar te zetten, dat het geheel meer oplevert dan de opgetelde kracht van die losse elf man. En daar is het uiteindelijk toch in alle teamsporten om te doen.”
Dit artikel werd in september 2007 gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.
