De held moet aardser worden
In de aanloop naar een toernooi als de Olympische Spelen staan sporters weer volop in de aandacht. En nemen ze ook een bijzondere positie in de samenleving in. Is dat terecht? En vooral: is het verstandig? Hoe werkt het isolement van de topsportwereld als het gaat om arbeidsomstandigheden.
Deelnemers aan topsportevenementen zijn bijzondere wezens over wie wordt gesproken in mythologische termen. Godenzonen die worden blootgesteld aan inspanningen alsmede een psychologische druk die voor gewone mensen onvoorstelbaar is. Zo was het project ‘De Reis van de Held’ ten behoeve van de Olympische equipe van Athene gebaseerd op de metafoor van de Griekse helden en de Olympos. Is dat terecht? Moet de samenleving topsporters inderdaad beschouwen, en behandelen, als buitengewone wezens levend in een eigen afgescheiden sportwereld met eigen wetten? Moeten topsporters worden afgezonderd van de gewone mensen, omdat die buitenwereld hen lastig valt met onkundig commentaar? Kan bemoeienis van ‘buitenwereldse’ instanties zelfs leiden tot slechter presteren van de sporters en daarmee tot het berokkenen van schade aan de eigenheid van de sportbeoefening (‘Sneller, Hoger, Sterker’)? Moeten topsporters nadat ze eerst tot mythologische figuren zijn gemaakt om die reden boven en buiten de wet worden geplaatst? En is het nadelig voor hun prestatie als ze niet dezelfde bescherming, rechten en plichten hebben als normale staatsburgers?
Bijzondere Bijstands Eenheid
In zijn bijdrage aan het Tweede Nederlandse Coachen Congres had Henk Kraaijenhof niet alleen sheets over de topbelasting van atleten maar ook sheets met inspanningsgegevens van manschappen van een Bijzondere Bijstands Eenheid (BBE), teams die worden ingezet bij terrorismebestrijding. Commando’s die onder de druk van levensbedreigende omstandigheden niet mogen verstijven onder de stress, maar juist adequaat en effectief op topniveau moet presteren en op elkaar moet kunnen vertrouwen. De leiding van deze manschappen benut de expertise van deskundigen zoals Kraaijenhof om de risico’s verbonden aan hun werkzaamheden tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. Daarnaast zijn ook objectieve gegevens van hun fysieke en mentale functioneren van belang. Zoals het adrenalineniveau tijdens het verloop van een actie, omdat daarmee standaarden ontwikkeld kunnen worden waarmee individuele leden van een BBE beter getraind kunnen worden. De briefing na afloop van de actie behoort tot de standaardprocedure. De in training en actie opgedane ervaringen van de mannen (en vrouwen) worden zo verwerkt.
Mentale en fysieke weerbaarheid
Brandweerlieden werken ook in een korps waarvan de leden in optimale fysieke en mentale conditie gehouden moeten worden. Elk moment moeten ze er klaar voor zijn om iemand met gevaar voor eigen leven uit een brandende woning te halen. Dodelijke ongelukken op de weg en op het spoor zijn ook de plaatsen waar die mannen en vrouwen met schokkende situaties worden geconfronteerd en er desondanks professioneel hun werk moeten doen. Ook bij hen is debriefing standaardprocedure. Hun werk in ploegendiensten kan worden beschouwd als taperen, maar dan het hele jaar door, jaar in jaar uit. De mentale en fysieke belastbaarheid van medewerkers in het beroepsleger, bij politiediensten en bij brandweerkorpsen wordt onder meer gemonitord door medewerkers van Arbo-diensten. Er zijn geen aanwijzingen dat die ‘bemoeienis van buiten’ heeft geleid tot slechtere prestaties, in tegendeel. Mogen we de prestaties ‘op leven en dood’ van deze mensen, deze werknemers in de ‘gewone samenleving’ vergelijken met die van helden, van topsporters? “Ja”, zeggen Kraaijenhof en zijn wetenschappelijke kompaan Laich. Ze laten zien hoe de samenleving gebruik kan maken van expertise die in de sport wordt opgedaan. En hoe de sportwereld, nog veel meer dan nu gebeurt, de wetenschappelijke kennis die kan bijdragen aan topsportprestaties ook moet meenemen. Het duo wil met het gebruiken van wetenschappelijk verkregen gegevens de sporter zo zorgvuldig adviseren dat zij in staat zijn diens prestatieniveau te voorspellen. Ze zijn niet de enigen.
Sporter centraal
Bart Schouten onthulde tijdens het post-Olympische symposium in 2002 waarom de schaatsploeg van de VS, waarvan hij in Salt Lake City de trainer/coach was, voor hun doen zoveel medailles had weten te winnen. Gedurende de hele voorbereidingsperiode had hij keuzemogelijkheden in zijn trainingswerkzaamheden voorgelegd aan een wetenschappelijk begeleidingsteam. “Kies ik voor trainen op ‘hoogte Salt Lake’, en wonen/slapen we duizend meter lager of wonen/slapen we op hoogte en trainen we op een baan die lager ligt?” De schaatsers zélf werden hierbij als centrale partij benaderd. Hun subjectieve bevindingen in combinatie met de objectieve metingen van de uitwerking die de inspanningen hadden op hun gestel vormden voor Schouten en zijn team het materiaal om de trainingsinhoud bij te stellen. Schouten vertelde dat hij die werkwijze, waarin hij zichzelf liet coachen door het team van wetenschappers, niet had ervaren als ‘zich moeten verantwoorden’, maar als een waardevolle, corrigerende, inspirerende en succesvolle samenwerking.
Poldermodel
Toen, in 2002, was Joop Alberda nog niet enthousiast over die werkwijze. Hij sprak van ‘het poldermodel in de sport’. Hij was van mening dat voor de sporters alleen de trainer/coach het aanspreekpunt moest zijn. Dat standpunt heeft hij inmiddels ten dele bijgesteld, getuige de inbreng van menswetenschappers in het programma van De Reis van de Held. Maar het isolement van de (top)sportwereld ten opzichte van de samenleving, wordt (nog) niet doorbroken.
Inbreng bij regelgeving
Heiko van Staveren, hoogleraar Sport en Recht, is al jaren een pleitbezorger van het standpunt om voor sport geen aparte wet- en regelgeving in te richten. Hij wil telkens bekijken op welke wijze bestaande wet- en regelgeving benut kan worden, met respect voor de eigenheid van de sport. Het Arbo-besluit biedt de mogelijkheid om op een moderne wijze alle risico’s verbonden aan topsportbeoefening te inventariseren en op een acceptabel niveau te brengen. Zonder afbreuk te doen aan de specifieke eisen van de betrokken sport. In Arboconvenanten hebben werknemers een even grote inbreng in het opstellen van regelgeving aan veiligheid als de werkgevers/organisatoren van arbeid. In de sport hebben tot op heden sporters überhaupt geen volwaardige inbreng in de besluitvorming over regelgeving. Die vindt plaats op de hoogste niveaus in de internationale organisaties, waar atleten nog weinig vertegenwoordigd zijn. Sporters worden blootgesteld aan risico’s of zoeken ze op. Hun bond, hun werkgever of de organisatie van een evenement had ze ertegen moeten beschermen. ‘Keep smiling’ is het motto dat Henk Kraaijenhof en zijn atleet Troy Douglas hanteren én als indicatie of ze goed bezig zijn. Ze noemen het een noodzakelijke voorwaarde om topprestaties te blijven leveren. Zo zou voor de turnsters een passende structuur om ze tijdens hun carrière te behoeden voor het risico van ‘burn out’ uitkomst kunnen bieden.
Beperken van risico’s
Het risico van claims nemen sportorganisaties op de koop toe. Beïnvloed door ernstige ongelukken tijdens het sporten neemt het besef toe dat die situatie eigenlijk niet meer van deze tijd is. Zo wordt in de schaatssport door de KNSB en de directies van kunstijsbanen samen verkend op welke wijze de risico’s verbonden aan het schaatsen in al zijn vormen kan worden beperkt door middel van een Arboconvenant. De veiligheid van het schaatsen verstoort niet het plezier dat leidt tot bredere deelname en betere prestaties. In tegendeel, in samenspraak met de topschaatsers zelf kan worden nagegaan hoe er onder acceptabeler veiligheidscondities nog harder kan worden gereden. Het afdekken van het risico van schadeclaims is ook nog eens in het belang van de organisatoren van wedstrijden en toertochten. Dat laatste is des te meer van belang, omdat de sportwereld op dit gebied al jarenlang nalatigheid kan worden verweten.
Dit is een aangepaste versie van een artikel dat in augustus 2004 werd gepubliceerd in het blad ‘Coachen’.
