“Het belang van een minister van Sport is enorm”
Er wordt al jaren over gesproken, maar nu er druk geformeerd wordt, is er dan eindelijk de mogelijkheid. Moet er een minister van Sport komen? Of zelfs een ministerie van Sport? “Moet hij dan in de gymzaal op een bankje gaan zitten klappen?”
André Bolhuis
“Het is heel goed als er een minister van Sport komt, aangezien het belang van sport groot is in onze maatschappij”, vindt André Bolhuis, voorzitter van NOC*NSF. Maar een compleet ministerie gaat te ver. “Met de huidige bezuinigingen ligt dat niet voor de hand, dus is het niet reëel om dit als wens uit te spreken. Als een minister van Sport ondergebracht wordt bij het Ministerie van VWS of Onderwijs, wordt sport eindelijk als een serieus onderdeel beschouwd.” Hij doelt op de maatschappelijke rol die sport kan vervullen. “Sport doet veel goede dingen: het bevordert de sociale cohesie, met name in de achterstandswijken en het zorgt voor een gezondere samenleving. Sport werkt beter dan bijvoorbeeld het verhogen van de ziektekostenpremies.”
“Sport wordt op politiek niveau niet belangrijk genoeg geacht, met een minister moet dat wel gebeuren” [Bolhuis]
Ook nu heeft sport als onderdeel van VWS een rol te vervullen in de samenleving. Zie de initiatieven om obesitas bij kinderen aan te pakken of om kanslozen te laten re-integreren in de maatschappij. Blijkbaar niet voldoende? “Een staatssecretaris zou deze zaken ook kunnen bewerkstelligen, maar het gebeurt niet. Triest genoeg. Sport wordt op politiek niveau niet belangrijk genoeg geacht, met een minister moet dat wel gebeuren.” Hoewel Bolhuis de breedtesport belangrijker vindt dan topsport, wijst hij ook op de toptienambitie van Nederland als topsportland. Daarnaast is er het plan om de Olympische Spelen in 2028 naar ons land te halen. “Hoewel de OS nog ver weg liggen, kan een minister daar nu al een rol in spelen door van Nederland een sportland te maken. Hij is de persoon die dat moet uitdragen, NOC*NSF kan het uitvoeren.”
Pieter Winsemius
“Absolute onzin”, reageert Pieter Winsemius op het plan een minister van Sport in het leven te roepen. “Een veel te kleine portefeuille, een budget van minder dan 100 miljoen, terwijl de persoon zelf 95 procent van de tijd uit het
raam zit te kijken. Het levert meer schade dan winst op, omdat zo’n minister gefrustreerd het bos wordt ingestuurd en niks gedaan krijgt.” Winsemius vindt alle aandacht voor dit plan zwaar overdreven. De argumenten van voorstanders die betrekking hebben op het mogen deelnemen aan de wekelijkse ministerraad wuift hij snel
weg. “Eén agendapunt per twee maanden, dan heb je het wel gehad als het om sport gaat. Zeker als we teruggaan naar acht ministers, zoals nu geroepen wordt, is degene die over sport gaat een factor vijftig minder belangrijk dan de anderen.”
“Sport is superbelangrijk, maar je maakt het niet belangrijker door er een minister neer te zetten” [Winsemius]
Ook het idee dat een minister meer invloed heeft op maatschappelijke problemen vindt hij overtrokken. “Het probleem van bijvoorbeeld obesitas bestaat zeker, maar een aparte minister aanstellen is niet de oplossing. Zelfs een staatssecretaris van Sport is niet nodig, tenzij ze ook andere portefeuilles beheert, zoals Bussemaker deed.”
Winsemius benadrukt dat in Nederland veel zaken al goed geregeld zijn. “Een onderwerp als ‘gymnastiek op school’ kan ook via VWS aangepakt worden. Wat is de meerwaarde van een minister dan? Moet hij op een bankje in de gymzaal gaan zitten klappen?” Als het om de ambities gaat die Nederland als topsportland wil uitdragen, is hij ervan overtuigd dat een eventuele minister niet meer dan een halve week per jaar bezig kan zijn met bijvoorbeeld het Olympisch Plan. “Hebben degenen die zo enthousiast zijn over een minister van Sport goede overwegingen gemaakt?”, vraagt Winsemius zich af. Of hebben ze sport overschat? “Sport is superbelangrijk”, laat hij niet na te zeggen, “maar je maakt het niet belangrijker door er een minister neer te zetten.”
Ton Boot
Dit zijn precies de uitspraken die Ton Boot, basketbalcoach, al jaren irriteren. Meerdere keren liet hij zich in columns uit over sport als ondergeschoven kindje in de politiek. Zelf pleit hij voor een minister, maar ook voor een ministerie. “Een ministerie van Sport en Bewegen zou te klein zijn? Flauwekul. Het gaat niet om de grootte maar om het belang en de noodzaak. En die is enorm. Er moeten prioriteiten gesteld worden, andere departementen moeten dus verdwijnen.”
“Sport is een belangrijke hoofdzaak” [Boot]
Boot heeft de taken van de minister al op zijn netvlies staan. “Hij moet sport en bewegen enthousiasmeren en propageren, hij moet een totaalbeleid maken en uitvoeren voor breedte- en topsport, waarbij infrastructuur erg belangrijk is met het oog op de OS in 2028. En heel belangrijk, hij moet de samenhang met integratie, onderwijs, volksgezondheid en economie tot stand brengen, coördineren en controleren.” Het raakt Boot dat de sportwereld in zijn ogen niet serieus genomen wordt door de politici. “Behalve bij grote en succesvolle sportevenementen die veel publiciteit opleveren. Dan zijn ze er als de kippen bij.” Hij wijst op een draagvlak van 12 miljoen actieve en passieve sportliefhebbers, op de breed gedragen mening dat sport een grote waarde kan hebben op velerlei terreinen. “Sport de belangrijkste bijzaak? Hoe komen ze erbij, sport is een belangrijke hoofdzaak.”
Clémence Ross
Voormalig staatssecretaris van Sport en nu directeur van het Nederlands Instituut voor Sport en Bewegen, Clémence Ross, ondervond het zelf. Als de ministers hun wekelijkse ministerraad belegden, mocht de staatssecretaris alleen aanschuiven als ze een belangrijk punt op de agenda had staan. Dat gebeurde slechts een enkele keer, over lopende zaken hoorde ze pas achteraf dat ze ook haar steentje had kunnen bijdragen áls ze een minister was geweest.
“Alleen al om die reden is het goed als er een minister van Sport komt. Het is belangrijk dat sport tot een van de lopende zaken gaat behoren, zodat een minister elke week een koppeling kan maken tussen sport en andere zaken als onderwijs of welzijn. Zeker met het Olympisch Plan, dat ook over onderwijs, economie en arbeidsparticipatie gaat.”
Een afzonderlijk ministerie is geen optie voor Ross. “Het is duur, het is een one issue-ministerie, wat geen goede zaak is. Dat geld kun je beter rechtstreeks aan de sport geven. Sport moet in een ander ministerie ingebed worden, zodat verbindingen gelegd worden met al die andere beleidsterreinen.”
“Met een minister laat je zien hoe belangrijk je het onderwerp vindt” [Ross ]
Het belang van sport wordt onderschat, vindt Ross. “De sportwereld is zelf wel in staat om een toptienpositie als topsportland te bereiken. Maar sport inzetten om andere maatschappelijke doelstellingen te behalen kan niet zonder een minister. Het beleid is er wel – lokaal gebeurt het ook, er is geen wethouder die alléén sport doet – maar er moet meer gewicht in de schaal gelegd worden. Met een minister zetten we een grote stap vooruit.”
Ook internationaal gezien heeft de aanwezigheid van een minister van Sport meer aanzien, weet Ross uit ervaring. “Als je als minister meerdere portefeuilles hebt, heb je meer macht en aanzien dat uiteindelijk voor een betere onderhandelingspositie zorgt. Het gaat er namelijk niet altijd om hoe goed je bent. Met een minister laat je ook zien hoe belangrijk je het onderwerp sport vindt.” Wie die gewenste minister van Sport zou moeten worden? Ross: “Iemand die hart voor de sport heeft en uitstraalt dat er allerlei maatschappelijke doelen te behalen zijn met behulp van sport.” “Iemand die het belang inziet van zijn eigen portefeuille”, voegt Bolhuis toe. “Johan Cruijff”, vindt Boot, die als enige een naam wil noemen. Waarom? “Hij bezit de unieke combinatie van imago en kwaliteit. Hij heeft een positieve uitstraling, hij kan in het buitenland hermetisch gesloten deuren openen en het negatieve imago van ons land opvijzelen. Ik verbaas me erover dat de Haagse politiek nog nooit van het merk Cruijff geprofiteerd heeft.”
