“Je moet ook kunnen verliezen, daar leer je het meeste van”
Vaak wordt de sport ten voorbeeld gesteld aan het bedrijfsleven. Met als gevolg lezingen ter lering door coaches en sportleiders ten overstaan van mensen buiten de sport. In deze serie wordt de vraag omgedraaid: Wat kan de sport leren van het bedrijfsleven? Na Salem Samhoud van adviesbureau &samhoud, Peter de Wit van consultancybureau McKinsey & Company en Willem Kernkamp van Sloten Group BV dit keer als laatste Roald van Noort, voorzitter van de raad van bestuur van CR V Holding BV.
Hij heeft de uitstraling van een winnaar. Een kordaat type man die weet wat hij wil: winnen. Maar winnen is niet alles, verduidelijkt Roald van Noort vanachter zijn bureau in Arnhem-Zuid. “Je moet ook vooral kunnen verliezen. Dat hoort erbij, daar leer je van, daar leer je het meeste van zelfs. Zeker als manager en bestuurder van een sportclub moet je ook verlies incalculeren. Je wint wat, je verliest wat. Als je maar in de gaten houdt wat op lange termijn je doelstelling is”, aldus de voorzitter van de raad van bestuur van de Coöperatie Rundveeverbetering (CRV). Verliezen doet pijn, weet hij als voormalig topsporter. “Ik heb nog altijd trauma’s van de mislukte Olympische Spelen van 1984. We werden met de waterpoloploeg slechts zesde. Een jaar eerder hadden we nog de Tungsram Cup in Boedapest gewonnen, het zwaarste toernooi van Europa, voor het eerst in de geschiedenis gewonnen door een Nederlands team. We hadden daarom in Los Angeles een medaille moeten halen, maar we faalden. We dachten even een medaille te behalen, geloofden te veel in onze kracht. Maar we waren geen team meer, iedereen speelde voor zichzelf. Te veel media-aandacht had van enkelen uit ons team een stel egoïsten gemaakt. Zo kan dat gaan als je alleen maar met jezelf bezig bent, of het nu in de sport is of in het bedrijfsleven. Dan gaat het mis. Succes kan tot verkeerde resultaten leiden.”
Specialisatie
Van Noort gold in zowel zijn clubteam als het nationale team als een onverzettelijke speler, die niet schuwde hard (“soms zelfs smerig”) te spelen. Nooit opgeven, was zijn devies. “Geen sporter kan succesvol zijn zonder hard te werken.” Winnen wilde hij altijd, maar wel samen. Zoals hij dat vooral deed met VZC Veenendaal, waarmee hij in 1986 Nederlands kampioen werd. Hij had in die tijd geen sportpsycholoog nodig om de strijd aan te gaan. Ten eerste was het niet macho om met een mentale begeleider in zee te gaan. Ten tweede waren de coaches waarmee hij werkte vooral ‘mensencoaches’. “Met coaches die louter verstand hadden van techniek en tactiek, heb ik nooit succes gehad”, verklaart Van Noort. “Ik vind het ook vreemd dat men nog steeds meent dat een goede voetballer een goede coach is, een goede verkoper een goede manager en een goede journalist een goede hoofdredacteur. Het zijn verschillende specialisaties. De minste verkoper kan de beste manager worden.”
Het is volgens Van Noort een wijdverbreid en hardnekkig misverstand dat goede, succesvolle sporters bij uitstek geschikte bedrijfsvoerders zijn. “Omdat ze succes in de sport hebben gehad door hard te werken en mentale obstakels te overwinnen, zijn ze nog niet per definitie in staat een bedrijf te runnen. Sport is emotie, in sport succes hebben kan door emotionele drijfveren. Altijd willen winnen is een must in de sport. Maar als je als bedrijfsvoerder altijd wil winnen, ben je een slechte onderhandelaar. Een bedrijfsvoerder moet verlies incalculeren, compromissen sluiten, er moet altijd een draagvlak zijn voor winst en verlies. Je verstand erbij houden, ook als het tegenzit. Als ik me nu zou gedragen zoals vroeger als waterpoloër bij een nederlaag, zou ik het op mijn bedrijf niet lang volhouden. Mijn medewerkers zouden stapelgek van me worden: Wat wil die man nou weer? Stuurloos en warrig van de ene emotie in de andere vallend.”
“Als je als bedrijfsvoerder altijd wil winnen, ben je een slechte onderhandelaar”
Sport kan wat dat betreft veel van het bedrijfsleven leren. “Ik ben hier niet alleen de baas omdat ik de verkooptechnieken zo perfect beheers. Ik geef leiding omdat ik dat heb geleerd. Ik voel iets aan en ga bij mezelf en anderen te rade. Klopt dat gevoel?”, zegt Van Noort. “Daar heb ik geen speciale opleiding voor gevolgd. Dat heb ik kennelijk. Ik heb mezelf ontwikkeld. Ik straal die kwaliteit uit, meen ik te weten. Het lijkt wat stoer en opschepperig. Maar ik denk dat ik stabiel ben. Ik durf open te staan voor andere ideeën, ik hoor graag wat mijn medewerkers ervan denken. Ik lever harde, liefst positieve kritiek op hen, zij mogen dat op mij leveren. Mijn deur staat open: ‘Kom op, zeg wat je wilt.’ Het kan voorkomen dat ik mensen niet mag. Dat moet ik kunnen zeggen: ‘Als persoon klikt het niet, maar je doet je werk goed.’ Maar ik merk dat mensen bang zijn om kritiek te leveren op de baas. Bang om hun baantje te verliezen. Waarom? De boel moet op scherp gezet worden. Daar gaat het om. Ik heb het gevoel dat in de sport men elkaar niet de waarheid durft te zeggen. Waarom? Als je maar respect hebt voor elkaar, ook al mag je elkaar als mens niet zo. Thuis durf je wel ruzie te maken met je vrouw en je kinderen. Dat kan dan ook op je werk. Gedraag je op je werk gewoon, zoals je dat thuis doet.”
Plezier
De mentale factor gaat op alle fronten in de samenleving waar resultaten moeten worden behaald een dominantere rol spelen. Daarvan is Van Noort overtuigd. Managers moeten stabiele mensen zijn die kracht uitstralen en uit andere mensen het beste kunnen halen. “Over twintig jaar zijn alle CEO’s psychologen, sowieso mensen die psychologisch geschoold zijn. Ook in de sport is dan de beste coach een psycholoog. De techniek en de tactiek kan worden bijgeschaafd door specialistische trainers. Maar een man met psychologische gaven is de baas. Kijk om je heen en je ziet het gebeuren. Coaches als Louis van Gaal en Guus Hiddink zijn weliswaar van huis uit al technisch en tactisch onderlegd, maar ze hebben zich vooral ontwikkeld als managers met psychologische talenten. Straks worden zij gestuurd door een echte psycholoog die een team van specialisten om zich heen heeft verzameld.”
“Het gaat niet om de basistechnieken. Het gaat eerst om het plezier”
Wat sport nog meer kan leren van het bedrijfsleven? Van Noort wijst nog eens op organisatie en management. “Vaak denken voetbalclubs aan succes op korte termijn. Managers en bestuurders laten zich gauw leiden door emoties. Gaat het even slecht, dan worden ze verdrietig of boos en nemen ze maatregelen op basis van hun gemoedsgesteldheid. Stel dat ik hier op mijn bedrijf na elke tegenslag boos en verdrietig word en de mensen die niet onmiddellijk succes hebben meteen vervang door anderen. Dan haal ik maar meteen een grote naam binnen. En met die grote naam heb ik natuurlijk wel meteen succes. Iedereen weet dat die grote naam bij ons werkt. Dus krijgen we meer aandacht. Die naam is meer marketing. Je brengt je bedrijf onder de aandacht door een grote naam. Maar als die man wegvalt omdat hij om een of andere redenen niet goed functioneert, stort je bedrijf alsnog in. Met veel grotere gevolgen. Nogmaals: trek mensen aan die met anderen kunnen samenwerken en samen willen scoren.” Of begin bij de opleiding, de scholing van jonge talenten. “Het gaat niet om de basistechnieken. Het gaat eerst om het plezier”, beweert Roald van Noort. “Wanneer er plezier is, leer je makkelijker technieken aan. Veel doen met plezier levert meer op dan veel doen onder dwang. Of het nu voetbal, handbal, hockey of waterpolo is. Leer jonge mensen hoe ze met elkaar kunnen spelen, hoe ze gebruik kunnen maken van elkaars talenten. Leer ze vooral ook verliezen. Als je plezier hebt doe je er meer voor, met plezier maak je meer winst. Natuurlijk doet alsmaar verliezen pijn, maar het vormt je wel. Zeker als er een trainer of coach is die pedagogisch en psychologisch geschoold is.”
Dit artikel werd gepubliceerd in ‘NLCOACH’, nummer 5-2010
